GENEALOGIE VAN DE LEVENSKUNST

‘Was sind das für Zeiten, 
wo ein Gespräch über Bäume fast ein Verbrechen ist’
Bertolt Brecht, 'An die Nachgeborenen'.



Bij de aanblik van alle ellende die overal en van oudsher de mensheid teistert, vergaat ons alle lust om een andere levenskunst na te streven dan het scheppen van een wereld, waarin alleen al de gedachte aan levenskunst ons niet meteen het schaamrood op de kaken jaagt: alleen als gedeeld genot is genot immers genietbaar. 

Zeker, niet alle kwalen die de mensheid teisteren zijn mensenwerk: de natuur is klaarblijkelijk niet met het oog op het menselijk welzijn geschapen. Maar de mens leerde met toenemend succes steeds meer onheil af te weren. Zodat elke ravage ons herinnert, niet zozeer aan de onherbergzaamheid of kwaadwilligheid van de natuur, maar veeleer aan ons onvermogen - of onze onwil - om allen in gelijke mate te beschermen. En dat legt meteen een vinger op een diepere wonde: al het onheil dat de natuur aanricht, verzinkt in het niets bij het leed dat de mensen elkaar berokkenen.

Maar hoe groot ook onze bereidheid zou zijn om het menselijke leed te verzachten, een herbergzamere wereld kan niet op één dag worden gebouwd. En in afwachting houden allen zich in elk geval bezig met de zorg om het welzijn van degenen die hun zijn toevertrouwd: in de eerste plaats hun kinderen en de partners met wie ze deze kinderen grootbrengen. 

En daar knijpt hem juist het schoentje. Juist omdat elke ouder in de eerste plaats de verantwoording heeft over zijn eigen kinderen, probeert hij alvast alles in het werk te stellen om hun welzijn veilig te stellen. Hij doet zijn uiterste best om zich te verzekeren van de toegang tot alle benodigde hulpmiddelen. Onvermijdelijk komt hij daarbij in botsing met anderen die hetzelfde doel nastreven. Daarom beoefent de mens van oudsher de politieke deugd: hij roept andere geprivilegieerden te hulp om ongenode gasten buiten de muren te houden. Hij organiseert zich in samenwerkingsverbanden die in de loop van de geschiedenis telkens nieuwe, elkaar overlappende gedaantes aannemen: de horde organiseert zich tot stam, die uiteenvalt in paar, gezin, familie, vriendenkring, beroepsgroep, staat, partij enz. Aan elk van deze broederschappen kleeft het stigma van de uitsluiting. 

In de limiet zou het eigenbelang van het ouderpaar worden bezegeld door het incestueuze huwelijk van hun zoon en dochter. Want slechts noodgedwongen werken de mensen samen bij het veilig stellen van hun eigenbelang. Zodra de kans zich aandient om de klus op zijn ééntje te klaren, grijpen ze die aan. Al moeten binnen elk samenwerkingsverband de leden elkaar noodgedwongen gelijke kansen gunnen, het natuurlijke verschil in talenten zorgt ervoor dat ze die op zeer uiteenlopende wijze ‘te gelde’ maken. Daarom wijden allen zich met volle overgave aan de opgave anderen te overtreffen door het cultiveren van hun eigen talenten: de ontwikkeling van hun productieve deugd. Zo ontstaan er steeds groter wordende verschillen, niet alleen collectief tussen de groepen onderling, maar ook individueel tussen de leden van de groep zelf. 

De pil wordt enigszins verzacht doordat de aloude seksuele arbeidsdeling tussen man en vrouw in de loop van de geschiedenis wordt veralgemeend tot maatschappelijke arbeidsdeling: nadat de mensen zich organiseerden in samenwerkingsverbanden om elkaar uit te sluiten of te beroven, nemen ze in toenemende mate hun toevlucht tot ruil om verschillen uit te vlakken. Zodra deze economische aanpak de politieke begint aan te vullen, concurreren de mensen nog wel, maar moeten ze dat noodgedwongen doen door in te staan voor het welzijn van andere mensen - hun consumenten. Hun eigen belang kunnen ze slechts dienen door dat van anderen te behartigen. Dat verleent de cultus van de productieve deugd een aura van respectabiliteit: het individuele voordeel dat de beste zich toeeigent, kan doorgaan voor de rechtmatige beloning voor de diensten die hij bewijst aan de ‘gemeenschap’ - zijn consumenten. 

Al moet men ten opzichte van zijn consumenten zijn eigenbelang indijken, ten opzichte van de overige producenten kan men het onbeperkt laten gelden: een genadeloze concurrentiestrijd ontbrandt. Deze heeft niet alleen tot gevolg dat de productieve deugden tot steeds grotere hoogte worden opgedreven, maar ook dat er steeds nieuwe worden ontwikkeld. Wie zich op de ene piramide niet tot de top weet op te werken, kan zijn kansen wagen door er een nieuwe op te richten: elke nieuwe specialiteit is een nieuwe arena waarin de beginner aanvankelijk ook de beste is. Zo ontwikkelen zich in telkens nieuwe individuen telkens nieuwe aspecten van de menselijke natuur: waar in een horde bijna alle leden dezelfde productieve activiteiten uitvoeren, is het aantal beroepen in een ontwikkelde maatschappij niet meer te tellen. Op elk van deze piramides is er een top en een basis, en de piramides onderling worden opgenomen in een hiërarchie van productieve deugdzaamheid: gaande van de meest prestigieuze beroepen zoals veldheren, politici, kunstenaars, wetenschappers en sportlui tot de meest verachtelijke zoals slaaf, bedelaar of dagloner. 

Deze ontwikkeling van de productieve deugden heeft een keerzijde. Om de concurrenten te overtreffen moeten we al onze krachten mobiliseren. Alle andere activiteiten – de zorg om kinderen en de daartoe nodige samenwerking met een partner - leiden ons alleen maar af van dat ene doel. In toenemende mate komt de concurrentiestrijd in het centrum van de belangstelling te staan. Het middel dreigt tot doel te worden. 

Dat heeft zijn gevolgen voor wat het doel van de productie had moeten zijn. Genieten doe je van het doel waar alle inspanningen het middel voor zijn: het welzijn van je kinderen. Je doet het samen met degene met wie je daarbij samenwerkt: je lief. En, omdat je als ouder niet kan volstaan met de zorg om je eigen kinderen - die moeten namelijk huwen met andermans kinderen - zal je genot pas volledig zijn als je het kunt delen met andere ouders. Dat gedeelde genot drukt zich uit in de erotische omgang van het paar, de gezamenlijke maaltijd met het gezin en het feest in de gemeenschap. Maar onder het regime van de cultus van de individuele deugd is niet langer het welzijn van de volgende generatie het doel van de productieve inspanningen. Daarom moet noodzakelijkerwijze ook het genieten van eten of vrijen een doel op zich worden - een pure bron van lust, die nergens meer de uitdrukking van is. Zo ontwikkelt zich naast de cultus van de productieve deugd ook nog een levenskunst in engere zin: het streven naar lust op zich. De meest voor de hand liggende vorm daarvan is het ontwikkelen van de gastronomische en erotische vermogens. De beweging verwijdert zich steeds verder van de bron: het pure spel van de verleiding neemt de plaats in van het vrijen, dat zelf weer als losse ervaring wordt losgeweekt uit de duurzame band van het paar dat zich aan de kinderen wijdde. Of het gehele instrumentarium rond de gezamenlijke maaltijd kan de plaats gaan innemen van de maaltijd of het vrijen zelf: zo ontwikkelt zich de lust aan het goud en het porselein op de tafel of de verleidelijke kleren, de meubels en het interieur, de koetsen, auto’s of zeiljachten, de paleizen of villa’s met bijbehorende parken en tuinen. Al deze ‘consumptiemiddelen’ hebben het voordeel dat hun consumptie – in tegenstelling tot eten of vrijen - geen tijd vergt: het volstaat dat men ze bezit. En dat komt goed van pas voor degenen die al hun tijd nodig hebben om hun productieve vermogens te ontwikkelen. Ongetwijfeld worden ook de nieuwe lusten en goederen nog in groep genoten. Maar het is niet langer de gemeenschap die hier wordt gecelebreerd, wel de minachtende uitsluiting van allen die verstoken blijven van al dit fraais. Daarom dragen alle bijbehorende levenskunsten het stempel van het vertoon.

Zodoende worden in een steeds verder schrijdende centrifugale beweging steeds meer vermogens van de mens uit hun oorspronkelijke zinvolle samenhang losgerukt. Al deze op zich zelf staande deugden ontwikkelen zich ongetwijfeld tot op hoogten die bij de zinvolle onderschikking van de vermogens gewoonweg ondenkbaar zijn. Om slechts één voorbeeld te noemen uit het domein van de ‘erotische levenskunst’: alleen reeds doordat hij gedoemd is om het steeds maar te blijven herhalen, beheerst Don Juan als geen ander de kunst van het verleiden - en het verlaten. Een doorsnee sterveling, bij wie het verleiden is ingebed in een zinvolle samenhang, hoeft slechts éénmaal te verleiden en al helemaal niet te verlaten. 

Dat herinnert er ons aan dat er een omgekeerde levenskunst bestaat: de poging om al onze bescheiden vermogens tot een zinvol geheel te verenigen. En dat is, in tegenstelling tot het opdrijven van geïsoleerde vermogens, een levenskunst die binnen ieders bereik ligt. Wat niet kan worden gezegd van de ontwikkeling van de gespecialiseerde deugden of levenskunsten. Die verstoort niet alleen hun zinvolle samenhang, ze doet ook de ongelijkheid tussen de mensen drastisch toenemen: de specialist aan de top verduistert de rest van de piramide. Dit effect wordt nog versterkt doordat politieke en economische verhoudingen toelaten dat een minderheid de meerderheid als instrument voor zijn doelen inschakelt: als slaven, lijfeigenen, arbeiders. Terwijl de geprivilegieerden hun productieve of ‘consumptieve’ vermogens tot hoge bloei brengen, kan er bij deze tot instrumenten gereduceerde stervelingen geen sprake zijn van enige levenskunst. Ze mogen al blij zijn als ze hun vege lijf in leven kunnen houden, en ze hebben geluk als ze daarbovenop wat overhouden om, al dan niet samen met een partner, aan hun kinderen te besteden. 

Daarom jaagt alleen al de gedachte aan levenskunst velen het schaamrood op de kaken. Deze schaamte ontbrandt aan het verstoten tegen het gemeenschapsgevoel, dat zich niet zomaar laat onderdrukken: het is niet goed genieten op een eiland omgeven door prikkeldraad. Daarom werd al van oudsher een verbod uitgevaardigd tegen ‘incest’, een verbod dat best zou mogen uitgebreid tot politiek als tot inteelt veredelde incest. Omdat de mens in toenemende mate de band met zijn kinderen doorsnijdt, neemt eigenliefde - narcisme - de plaats in van het verlangen naar incest. Steeds sterker komen allen in de ban van de cultus van het eigen persoonlijke welzijn. 

Alleen reeds het feit dat elk levend wezen ten dode is opgeschreven, zou moeten volstaan om ons te behoeden voor deze dwaling der dwalingen. Ouderdom en dood herinneren er ons aan dat het niet de bedoeling is dat wij onszelf ontplooien, laat staan volmaakt worden. Het gaat slechts bergop met ons tot op de leeftijd waarop normaal het leven is doorgegeven. Als deze taak is volbracht, zijn we overbodig geworden. Slechts zolang we kinderen zijn, zijn we als doel op de wereld - voor onze ouders. Zodra we vader of moeder zijn geworden, worden we middel. Daarom kunnen velen het kind zijn niet laten. En omdat ook hun ouders kind wilden blijven, zijn ze wellicht geen van allen ooit kinderen geweest… Daarom willen ze zonodig ook nog eeuwig jong blijven, en als hun lijf het dan toch laat afweten, minstens onsterfelijk worden als ziel of geest.

Het hectische drukdoen en de jacht naar steeds exotischer individueel genot - de celebratie van de solitaire levenskunst onder al haar vormen - is alleen maar de krampachtige poging om een oeroud en wijdverbreid gevoel van neerslachtigheid te onderdrukken: de naamloze rouw om het kind dat in ons werd verraden en daarom slechts in naam zelf vader of moeder wil worden – zodat allen erfgenaam worden van de zonde waar de mensheid maar niet van lijkt te kunnen genezen.


© Stefan Beyst, april 2001

Reacties: beyst.stefan@gmail.com



Stefan Beyst is ook de auteur van 'De extasen van Eros'


Op de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist



zie ook:   stefan beyst over hedendaagse kunstenaars