| |

MIMESIS EN MUZIEK
Over muziek als bijzondere vorm van auditieve nabootsing
Lees eerst: Mimesis
INLEIDING:
Muziek geldt vooral sedert het einde van de
19e eeuw als hét paradigma van een 'abstracte', niet-verhalende kunst,
waar de klank niet zou zijn ondergeschikt aan de opgave om iets anders
weer te geven - denk slechts aan de stelling van Eduard Hanslick dat muziek
niets meer zou zijn dan 'tönend bewegte Formen'. Onder de invloed van het
toenemende taboe op mimesis stelden de overige kunsten zich muziek als het
grote voorbeeld: ook zij wilden ontsnappen aan het 'verhalende' -
aan de 'literatuur' - en ook 'abstract' worden zoals de muziek. Dat
geldt inzonderheid voor de schilderkunst, die in haar ijver om zich af
te zetten tegen de fotografie, met het 'verhalende' haar eigen wezen
dreigde overboord te gooien. Inmiddels is de gedachte dat muziek een
abstracte kunst zou zijn - net zoals de architectuur, die overigens geen
kunst is, maar design - zo sterk ingeburgerd, dat ze een van de sterkste
hinderpalen is om het idee terug in ere te herstellen dat kunst mimesis
is.
Overtuigend aantonen dat muziek mimesis is, is daarom de toetssteen voor
elke theorie over mimesis, en het is deze opgave die we ons in deze
tekst hebben gesteld.
HET RIJK VAN DE STILTE
Het is niet overbodig om,
bij wijze van inleiding, even te herinneren aan de precaire status van
het geluid in de natuur. Want de natuur is in wezen het rijk van de
stilte. Zijn naam ten spijt was de oerknal onhoorbaar, en het kolkende
geweld van kernfusies in zonnen of sterren voltrekt zich in alle stilte.
Ook de talloze botsingen tussen steeds aangroeiende brokken materie die
samenklonterden tot de planeten die uiteindelijk in hun banen rond de
sterren begonnen te schuiven, waren wel gewelddadig,
maar overigens volslagen geluidloos. Want pas na de vorming van een atmosfeer rond
de aarde was het benodigde medium voorhanden om geluid te produceren: de
lucht die tot trillen kon gebracht door het kabbelen van beekjes en de
branding van de zeeën, om nog maar te zwijgen van donder en stormwinden,
lawines en uitbarstende vulkanen. En dan was het nog lang wachten op
oren die deze trillingen konden beluisteren: bacteriën, eencelligen,
schimmels en planten zijn ronduit doof. Ook de overgrote meerderheid der
dieren, die weldra hun gezelschap vervoegen, en opvallen doordat ze druk
doende zijn met zich te bewegen, maken helemaal geen geluid: denk aan
het zwemmen van vissen in het water en het vliegen van vogels in de
lucht. Geen wonder dat pas bij de dieren op het land het oor begon te
evolueren: daar was inmiddels niet alleen de benodigde lucht voorhanden,
maar ook het neerkomen van poten die hem tot trillen bracht – en
daardoor de aanwezigheid van dieren verraadde. Waarom precies zowel
roofdier als prooidier er belang bij hadden het pas ontwaakte geluid te
onttrekken aan de pas gevormde oren, zodat roofdieren leerden te sluipen
en prooidieren roerloos stil te staan. Pas laat in de evolutie begonnen
sommige dieren opvallende geluiden te produceren om concurrenten uit de
buurt te houden en partners aan te trekken, om elkaar te waarschuwen en
weldra ook om informatie uit te wisselen, wat uiteindelijk het wezen
oplevert dat wel zichtbaar is, maar in de eerste plaats hoorbaar: de
sprekende - onophoudelijk taterende - mens, die ook nog druk doende is
met werktuigen allerhande, en daarmee het bijzonder soort geluiden
begint te produceren die aan de basis liggen van de muziek waarom het
ons hier is te doen.
GEWONE AUDITIEVE MIMESIS
Al deze geluiden kunnen door de mens worden
nagebootst: van de geluiden van natuurfenomenen allerhande (het geluid
van donder, wind, lawines, watervallen, golven...), over
het geluid van bewegende dieren (paardenhoeven, knagen van muizen,
ritselende takken, fladderende vleugels...),
geluiden die doelbewust door dieren worden geproduceerd (het huilen van
wolven, het blaffen van honden, het miauwen van katten, het fluiten van
vogels), tot de geluiden die de mens maakt - en dat zijn er heel wat:
van zijn spreken en zijn auditieve expressies (lachen, wenen...), over de
geluiden van zijn werktuigen en machines (fluiten van treinen, starten
van auto's, lawaai van de motoren van auto's, schepen, vliegtuigen...), tot
de hieronder te bespreken 'mimetische impulsen'.
De mens kan deze geluiden nabootsen door de oorspronkelijke geluidsbron
te vervangen door een andere, ongeveer zoals hij bij visuele mimesis de
oorspronkelijke lichtbron vervangt door een spiegel of door een doek.
Zolang we niet kijken, lijkt het geluid niet van die vervangende
geluidsbron afkomstig te zijn, maar van de oorspronkelijke.
Als instrument voor dergelijke auditieve mimesis komt in de eerste plaats de stem in aanmerking (of
het spraakorgaan in de bredere zin van het woord). Ze is bij uitstek
geschikt om de stem van andere mensen of imaginaire personages na te
bootsen - zoals op het toneel. Maar ze leent zich even goed voor het
nabootsen van allerlei dierengeluiden. Naast de stem kunnen
ook andere lichaamsdelen worden gebruikt: vingers om te fluiten, de hand
om op diverse oppervlaktes te kloppen. Maar ook allerlei voorwerpen
komen in aanmerking: kokosnoten voor lopende paarden, een doek over een
trommel voor de wind, ronddraaiende touwen voor de wind, metalen platen
voor de donder, en ga zo maar door. Deze oudste - 'ambachtelijke' - vormen van auditieve mimesis komen
tot hun hoogste ontwikkeling in het theater en al zijn
voorvormen, zoals inwijdingsrituelen waarbij geesten allerhande worden
opgeroepen. Maar ze blijven daar wezenlijk verbonden met de visuele
nabootsing: de acteurs combineren de auditieve nabootsing van hun
personage met de visuele nabootsing ervan. Als autonome - niet met
visuele mimesis gecombineerde - vorm van nabootsing, komt het genre
nauwelijks tot ontwikkeling (Summerrain). Een eerste aanzet daartoe zijn de pogingen van de
Futuristen om de muziek te bevrijden uit het keurslijf van pure muzikale
tonen door er (de nabootsing van) gewone geluiden in te integreren.
Maar het is pas de ontwikkeling van de geluidsopname die inzake
auditieve mimesis een eerste revolutie heeft ontketend. Voortaan kunnen
alle mogelijke geluiden - inclusief muzikale uitvoeringen - feilloos worden gereproduceerd. Om te beginnen
kon nu het spectrum aan achtergrondgeluiden op het toneel worden
uitgebreid. Maar het is pas in de geluidsfilm dat de geluidsopname - in
combinatie met de lichtopname - haar grote triomfen beleeft. Niet
alleen de dialogen van de acteurs, maar ook allerlei achtergrondgeluiden
kunnen worden opgenomen. De
uitvinding van de geluidsopname gaf vooral een nieuw elan aan de
ontwikkeling van autonome auditieve mimesis in allerlei vormen van
(mimetische) soundscapes: van de 'Etude aux chemins de fer' (1949)
van Pierre Schaeffer, over het
'World Soundscape Project' van R. Murray Schafer,
tot de golven van
de Atlantische Oceaan die Bill
Fontana ten gehore bracht rond de Arc de Triomphe in Parijs.
Een tweede, zo mogelijk nog meer ingrijpende
revolutie, was de introductie van de elektronische klankgeneratie vanaf
de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Voortaan was het mogelijk om een
in principe oneindig spectrum van geluiden te produceren - niet alleen
van tonen, maar van alle mogelijke complexe klanken in alle mogelijke
combinaties. Daarmee kan de gewone auditieve mimesis het stadium van de
voltooide mimesis bereiken,
mimesis die haar eigen originelen schept.
Tijd om even op adem te komen. Want, het feit dat
we bij de tweede revolutie - die van de elektronische klankgeneratie -
steevast over 'elektronische muziek' spreken, evenals het feit dat het
ten gehore brengen van sirenes en windmachines in het voetspoor van de
Futuristen steevast wordt beschreven als een uitbreiding van het
traditionele muzikale instrumentarium, doet al te gemakkelijk over het
hoofd zien dat er een verschil is tussen het nabootsen van de geluiden
die mensen, dieren of natuurfenomenen produceren en muziek: niemand zal
het in zijn hoofd halen om de opname van vogelgeluiden of van de
branding van de zee muziek te noemen. Om de boven beschreven auditieve nabootsing te onderscheiden van muziek, die we zo dadelijk bespreken,
zullen we ze 'gewone auditieve mimesis' noemen. Pas als we beide vormen
van auditieve mimesis van elkaar onderscheiden, wordt het
duidelijk dat er mengvormen bestaan tussen gewone en
muzikale auditieve mimesis - denk maar aan de 'Kontakte' van Karlheinz
Stockhausen - ja zelfs mengvormen tussen muziek, gewone auditieve
mimesis en reële geluiden - denk maar aan Tsjaikowski's 'Ouverture
solennelle 1812'.
We komen daarop uitvoerig terug in onze paragrafen over
mengvormen .
TENTOONGESTELDE GELUIDEN EN AUDITIEVE DESIGN
Het gebruik van reële - niet-nagebootste - geluiden herinnert er ons aan
dat er niet alleen een verschil is tussen gewone en muzikale auditieve
mimesis, maar evenzeer tussen nagebootste en werkelijke geluiden.
Om te beginnen bestaat er iets als tentoongestelde werkelijkheid. Net
zoals bloemen, kunnen ook geluiden worden tentoongesteld: denk maar aan
de nachtegalen in gouden kooitjes aan de keizerlijke hoven van weleer.
In modernere tijden verwijzen we naar
werken als het ‘Poème symphonique’ voor 100 metronomen' van
Györgi Ligeti's.
Dat het om tentoongestelde werkelijkheid gaat, is niet zo evident. Geluiden moeten
nu eenmaal worden geproduceerd, en dat schept vaak de indruk dat ze op gelijke voet kunnen worden gesteld met
klanken die door muziekinstrumenten worden geproduceerd. In werkelijkheid is
er geen vergissing mogelijk: het centrale criterium is of we de geluiden
ervaren voor wat ze zijn. Inzake muziek is dat, zoals we dadelijk zullen
niet, niet het geval. De beweging waaraan muzikale geluiden
hun ontstaan hebben te danken is altijd een andere dan de beweging die
ze geacht worden op te roepen: het trippelen dat wordt opgeroepen door
een piano is niet het tokkelen van de vingers.
Vervolgens zijn er de vele geluiden die niet zomaar worden
aangetroffen, maar wel degelijk door de mens worden geproduceerd, zij
het dan niet met de bedoeling om nabootsingen te maken. Het gaat om
creaties die een of ander nuttig doel moeten
dienen, of die worden genoten om zichzelf wille.
Het kan hier gaan om nuttige auditieve objecten zoals fluiten, wekkers, piepers,
bellen, klokken, sirenes, boeien, of om de 'schone' - niet-functionele -
versies daarvan: denk maar aan klankmobiles. Of het kan gaan om om auditieve ruimtes.
Mechanische versies daarvan zijn het klokkengelui, geweer- of
kanonsalvo's, het loeien van
stoomfluiten in de havens op Nieuwjaar. Elektronische versies zijn de
diverse vormen van auditieve ruimtes die in toenemende mate worden
gecreëerd, zij het dan
meestal op de meer bescheiden schaal van een museumruimte.
MUZIEK
Naast tentoongestelde auditieve werkelijkheid, auditieve design,
gewone auditieve nabootsing is er ook nog zoiets als muziek.
Om de eigenaard van muziek
te begrijpen moeten we eerst een aanloop nemen, waarbij stap voor stap
zal duidelijk worden dat muziek evenzeer auditieve mimesis is, maar dan
van een heel bijzondere auditieve verschijning van de mens.
MIMETISCHE IMPULSEN (1): MAAT EN RITME VAN
VOORTBEWEGING EN ARBEID
Levende wezens verplaatsen zich door een bepaalde
voorstuwende beweging te herhalen tot de gewenste afstand is afgelegd. Als er geen
storende hindernissen zijn, heeft het bewegingspatroon de neiging om
zich te organiseren in een bepaalde maat: denk aan de draf van
een paard over de effen vlakte. Als er geen einddoel of hindernissen
moeten worden waargenomen, kunnen we aannemen dat al bij dieren de aandacht
voor de waarneming van de omgeving vervalt en wordt vervangen door de
concentratie op het metrische patroon van de beweging. Dat kan gewoon
door concentratie op de interoceptieve waarneming ervan, maar als de
beweging geluid maakt, zoals bij vele landdieren, ligt het voor de hand
dat het oor zich zal concentreren op het hoorbare
ritmisch patroon. Pas als als er hindernissen
optreden of als het einddoel is bereikt, wordt de tover van het herhaalde
ritmische patroon doorbroken. Herhaling (van ritmisch patroon en dus van
maat) krijgt daarbij een soort bevelende kracht die om nog meer
herhaling vraagt, om eindeloze voortgang.
| |
• |
beweging1 |
→ |
• |
beweging2 |
→
|
• |
beweging3 |
→
|
• |
... |
|
Omdat het ritmisch patroon in deze gevallen werkt als een soort impuls
om de beweging te herhalen, kunnen we spreken van een mimetische impuls
(waarbij het gaat over actieve
mimesis, te onderscheiden van contemplatieve mimesis).
Ook de mens beweegt zich op ritmische patronen, al zijn die heel wat
eenvoudiger omdat hij slechts op twee benen loopt. Maar die bipedale
gang maakte dan weer zijn handen vrij, en daarmee maakt hij heel wat meer
ingewikkelde arbeidsbewegingen. Bij veel van die arbeidshandelingen
wordt de beweging gemarkeerd door de geluiden die de instrumenten maken:
denk aan het afslaan van schilfers van een silex, het slaan met
dorsvlegels, het kloppen van de hamer op het aambeeld, het maaien van de
zeis. We weten allemaal dat we, zeker als de beweging lange tijd moet herhaald, de neiging hebben om ons te laten opgaan in de
waarneming van de metrische herhaling van het ritmische patroon dat
daarbij wordt geproduceerd en ons te laten leiden door de impuls om de
beweging te herhalen - de mimetische impuls - die ervan uitgaat.
Maar er is meer. De mens arbeidt vaak groepsgewijs. Daarbij
is vaak synchronisatie van de bewegingen noodzakelijk, of gewoonweg aangenaam:
als allen op dezelfde maat bewegen (bv. bij maaien), wordt niemand
afgeleid door de waarneming van andere ritmes die zouden kunnen
aanzetten tot andere bewegingen. Niets ligt meer voor de hand dan dat de
mensen hun eigen beweging laten sturen door de metrisch georganiseerde
geluiden geproduceerd door de beweging van anderen, waarbij ze zelf
evenzeer geluiden produceren die op hun beurt de beweging van de anderen sturen. Pas
door deze intersubjectieve uitbreiding worden metrisch georganiseerde
geluiden tot mimetische impulsen in de echte zin van het woord: geluiden
die ook anderen aanzetten tot het uitvoeren van eenzelfde beweging in
dezelfde maat. De aanstekelijkheid van het ritme in
de tijd wordt zodoende uitgebreid met een besmettelijkheid in de ruimte:
| |
• |
beweging1 |
→ |
• |
beweging2 |
→
|
• |
beweging3 |
→
|
• |
... |
|
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
| |
• |
beweging1 |
→ |
• |
beweging2 |
→ |
• |
beweging3 |
→ |
• |
... |
|
Synchronisatie van bewegingen is geen uitvinding van de mens. Zeker,
vele dieren blijven op hun eigen ritme bewegen ook als ze dat in groep
doen:
paarden en bizons enz. lopen elk op hun eigen ritme, en dat geldt
evenzeer voor vogels in een zwerm. Maar daartegenover staat de vaak
indrukwekkende synchronisatie bij de paarrituelen bij vele
vogels. De synchronisatie gebeurt daar in hoofdzaak op basis van visuele
indrukken. Visuele synchronisatie vertoont een aantal nadelen: ze
wordt bemoeilijkt als de partners zich moeten concentreren op het doel waarnaar ze zich bewegen, of
als ze tijdens de beweging de rug naar elkaar moeten keren. Bij
auditieve synchronisatie vallen deze hinderpalen weg: we horen ook
geluiden uit geluidsbronnen die zich achter ons bevinden of die aan ons
gezicht zijn onttrokken door een
visuele hindernis. Bij mijn weten komt
het gebruik van auditieve mimetische impulsen ter synchronisatie van
bewegingen alleen bij mensen voor.
MIMETISCHE IMPULSEN (2): MAAT EN RITME VAN HET SPREKEN
Niet alleen als hij arbeidt voert de mens gecompliceerde bewegingen uit,
maar vooral als hij spreekt. Ook spreken bestaat uit herhaalde
bewegingen: het articuleren van een keten van lettergrepen. Deze
lettergrepen worden niet zomaar aan elkaar geregen. Hun uiteenlopende
lengte wordt middels schikking in een ritmisch patroon georganiseerd
op de slag van een vaste maat. Als eenheid kan dienstdoen ofwel een
afzonderlijke lettergreep, ofwel twee of meer lettergrepen (eenheid,
accent), ofwel van een zin(snede). Net zoals het dier dat loopt of de mens
die arbeidt, moet ook de spreker zijn wil om te handelen en waar te nemen
opschorten en zich concentreren op de voort te zetten handeling van het
spreken.
| |
• |
eenheid1 |
→ |
• |
eenheid2 |
→ |
• |
eenheid3 |
→ |
• |
... |
Ook elk
spreken zal zich dus organiseren in een maat die de voortgang in de tijd
voorstuwt. Anders dan bij de voortbeweging of bij arbeidshandelingen,
gaat het hier niet om de herhaling van identieke bewegingen: klank en
ritme verschillen immers van lettergreep tot lettergreep, van
accenteenheid tot accenteenheid, van woordketen tot woordketen. Maar al
deze verschillen worden door de verseenheid (versvoet) en het metrum
gehomogeniseerd tot een abstracte, onderliggende eenheid: een hogere
vorm van organisatie dan letterlijke herhaling.
Tempo heeft expressieve betekenis.
MIMETISCHE IMPULSEN (3): DE SPRAAKMELODIE
Maar er is meer. Want ook de luisteraar moet zijn aandrang om
te handelen en waar te nemen opschorten en zich concentreren op de
mededeling van de spreker. Daarom wordt het
synchroniserende vermogen van de mimetische impulsen ook gebruikt als
middel om de aandacht van de luisteraar gaande te houden. (In de visuele
dimensie wordt dat effect verkregen door de luisteraar recht in de ogen
te kijken: oog in oog is er niets meer
te zien, maar de woorden prenten zich des te sterker in de geest).
| |
• |
eenheid1 |
→ |
• |
eenheid2 |
→
|
• |
eenheid3 |
→
|
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
luisteren1 |
→ |
• |
luisteren2 |
→ |
• |
luisteren3 |
→ |
• |
... |
Zoals blijkt
uit het effect van versvoeten, volstaat
metrische herhaling om de aandacht gaande te houden. Maar dat is niet
voldoende om de structuur van de mededeling over te brengen. Het moet
voor de luisteraar duidelijk zijn hoe
lang hij zijn aandacht moet afhouden van andere bezigheden. Als het
gesprek zich tot dialoog ontwikkelt, moet duidelijk zijn wanneer de
mededeling is afgelopen, zodat de rollen kunnen worden omgekeerd (vraag,
antwoord). Bovendien moet degene die het woord overneemt te
kennen geven of hij akkoord is en de dialoog wil beëindigen, dan wel of
hij een tegenwerping zal maken en de dialoog wil voortzetten. En vermits
mededelingen soms een complexe gelaagde structuur hebben, moet in de
mededeling ook intermediaire cadensen (uitgestelde eindes) worden
ingevoegd, die in de geschreven taal worden weergegeven door tekens als
komma's, puntkomma's, punten, gedachtestrepen, haakjes, aanhalingstekens
en dergelijke. Om al deze bijkomende informatie te verschaffen, worden
de metrische eenheden op verschillende toonhoogten uitgesproken, waarbij
de verschillende intervallen aangeven of we te maken hebben met een
aanhef of een einde, of met een van de vele tussenstadia tussen beide. We kunnen dit alles samenvatten in het begrip
'spraakmelodie' die bestaat uit een (vermoedelijk aangeboren) systeem
van cadensen dat cultureel wordt ingevuld. Door de spraakmelodie wordt
de herhaling als metrische mimetische impuls, aangevuld en verenigd met
een soort overkoepelende melodische mimetische impuls, die het verloop
van de tijd intern
structureert.
| |
• |
eenheid1 |
→ |
• |
eenheid2 |
→ |
• |
eenheid3 |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
melodische cadens1 |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
luisteren1 |
→ |
• |
luisteren2 |
→ |
• |
luisteren3 |
→ |
• |
... |
MIMETISCHE IMPULSEN (4): SPRAAK EN EXPRESSIEVE
BEWEGINGEN
Daarbovenop wordt via het spreken ook de emotionele lading van de
mededeling (de emotionele gesteldheid van de spreker) uitgedrukt:
genegenheid, afwijzing, misprijzen, agressie, spot, en wat dies meer
zij. Deze affecten worden in het spreken kenbaar gemaakt door allerlei
subtiele nuances in het toonhoogteverloop, het ritme en het tempo, de
toonsterkte, en de kleur van de klank. Het is hier niet de plaats om het
systeem van de expressies te onderzoeken. We kunnen volstaan met te
vermelden dat het er is, en dat het, evenzeer als de (melodische) cadens van de
mededeling, gebaseerd moet zijn op een aangeboren code die cultureel
wordt ingevuld.
Nu is het voor ons onderwerp van groot belang om erop te wijzen dat deze
auditieve expressie onverbrekelijk is verbonden met visuele expressie:
de expressieve bewegingen van de gelaatsspieren (mimiek), van de handen
(gebaren) en van het gehele stilstaande of bewegende lichaam (manieren
van staan en manieren van voortbewegen). Bij een vraag (Mama?) heffen we
het hoofd of de wenkbrauwen op, bij een bevestiging valt het hoofd neer en
ontspannen de wenkbrauwen zich. Beide dimensies lopen in de regel
parallel, maar de visuele dimensie kan ook een commentaar zijn op de vocale expressie.
Het auditieve verloop van het spreken en van de visuele expressieve bewegingen van gelaat,
armen, romp en benen wordt gesynchroniseerd door
de structuur van de spraakmelodie: het accent in de woordgroep geeft ook
aan wanneer het gebaar zijn expressieve hoogtepunt bereikt. Als ik zeg
'We gaan naar daar!', dan steek ik mijn vinger pas uit als ik het
woord 'daar' uitspreek. Idem voor 'Ik zeg je, kom hier!'. Omdat
er in de regel meer articulerende bewegingen moeten worden uitgevoerd
dan expressieve gebaren, krijgen we herhaling van lettergrepen of
meerdere woorden op één toon. Er moet een passende combinatie
worden gevonden van metrische articulatie, melodische cadens en
structuur van de expressieve beweging. Geven we dat weer in volgende
tabel, waarbij 'gebaren' staat voor het geheel van mimiek, gebaren,
houdingen en voortbeweging:
| |
• |
eenheid1 |
• |
eenheid2 |
• |
eenheid3 |
• |
|
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
melodische cadens1 |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
gebaar1 |
→ |
• |
... |
De mimetische impulsen van de cadens worden daarbij tot impulsen voor
expressieve bewegingen van zowel de articulerende stem als het gebarende
lichaam.
MIMETISCHE IMPULSEN (5): VAN SPRAAKMELODIE NAAR BEWEGINGSMELODIE
Het verloop van andere bewegingspatronen dan spreken wordt niet gestructureerd door een melodie. Het gehele verloop bestaat
immers in de regel uit de herhaling van identieke bewegingen, die, als
ze al geluiden maken, telkens dezelfde toon(opeenvolging) herhalen. De enige
aanzet tot structurering van het gehele verloop is het aangeven van de
aanloop en het uitlopen van de beweging (benadrukte remmende
eindbeweging): voilà. Dat is een oercadens, maar heeft nog geen impact
op de toeschouwer (tenzij dan als luisteraar).
Anders liggen de zaken als de bewegingen synchroon moeten verlopen, wat
vaker het geval is bij arbeidsbewegingen, die in de regel ook nog een
complexer verloop kennen. Het ligt voor de hand dat de mens de cadens
van de spraakmelodie, die al werd gebruikt om de visuele expressies te
coördineren met de auditieve, nu ook zal gebruiken om via zijn stem de eigenaard van de
afzonderlijke bewegingen én die van het gehele verloop van het
arbeidsproces aan te geven. Terwijl voorheen de daad (het expressieve
gebaar) bij het woord werd
gevoegd, wordt nu het woord bij de daad (de beweging) gevoegd. Gaat het om pure herhaling, dan kan de
eentonigheid worden doorbroken door ze via verschillen in toonhoogte in periodes te ordenen en ze zo
tot 'zin' te maken. Aan de arbeidsbewegingen worden dan ofwel woorden
toegevoegd die de aard van de beweging betekenen ('links rechts', 'op en
neer', 'klappen met de handjes, blij, blij blij'), ofwel betekenisloze lettergrepen zoals het 'he ho' bij roeien of
sleuren). De 'he' op de dominant geeft dan de aanloop aan, en de 'ho' op
de tonica de voltooiing van een afzonderlijke arbeidshandeling.
| |
• |
cadens spreker |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
handeling actor 1 |
→ |
• |
... |
| |
• |
handeling actor 2 |
→ |
• |
... |
| |
• |
handeling actor 3 |
→ |
• |
... |
Nog
dwingender dan arbeid vraagt dans om structurering en synchronisering van bewegingspatronen
door een bewegingsmelodie. Dansers voeren gezamenlijk expressieve
bewegingen uit en nemen expressieve houdingen aan. Dat zijn in de eerste plaats
bewegingen voor de benen, maar daarmee ook voor de romp en de armen. Maar vermits
dansers niet werken, en dus geen instrumenten bedienen die materie
bewerken, maken ze niet langer geluid. Hun expressieve bewegingen kunnen
worden gesynchroniseerd door te kijken. Maar, zoals we al opmerkten, is
synchronisatie door auditieve mimetische impulsen veel dwingender, en
bovendien niet beperkt door de noodzaak om elkaar te zien. Ook hier ligt
het voor de hand dat de stem, die al van nature werd gebruikt om de
visuele expressies te synchroniseren met het spreken, zal worden
gebruikt om de dansbewegingen te structureren en te synchroniseren. Dat
ook hier het woord bij de daad wordt gevoegd, wordt bijkomend in de hand
gewerkt doordat het even onnatuurlijk is om te spreken
zonder visuele expressies, gebaren en houdingen te vertonen, dan expressies,
gebaren en houdingen te vertonen zonder er iets bij te zeggen (op een
expressieve manier).
Het
tijdelijk en inhoudelijk structureren en synchroniseren van
spreken en expressief gebaren en bewegen wordt hier overgebracht op het tijdelijk en
inhoudelijk structureren en synchroniseren van verhoogd spreken/zingen en bewegen:
| |
• |
cadens spreker |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
beweging danser 1 |
→ |
• |
... |
| |
• |
,
beweging danser 2 |
→ |
• |
... |
| |
• |
beweging danser n |
→ |
• |
... |
De
spraakmelodie ontwikkelt zich daarbij tot bewegingsmelodie. Dat komt
goed van pas omdat vele (onderdelen van) bewegingen helemaal geen geluid
maken. Voor zover ze dat wel doen, worden de geluiden als ondersteunende
begeleiding opgenomen in de bewegingsmelodie.
Merken we op dat mimetische impulsen niet alleen beweging kunnen
dicteren, maar ook stilstand. Dat komt vermoedelijk omdat stoppen vaak
gemarkeerd wordt door extra accent (vanwege afremmen), zoals in het 'voilà'
hierboven of het 'halt' van de sergeant waarop de laatste stap volgt. Ook om het stoppen de markeren worden vaak loze woorden
gebruikt, zoals in het kinderspelletje waarin
de kinderen mogen lopen op 'un, deux, trois' maar moeten stoppen op het
woord 'piano'
Zo worden de mimetische impulsen die aanvankelijk de het verloop van de
verbale mededeling stuurden en synchroniseerden met de visuele expressieve
bewegingen, voortaan gebruikt om alleen maar arbeidsbewegingen en
dansbewegingen uit te lokken én te coördineren. Dat is een eerste stap
in het proces waarbij de spraakmelodie/metrum uit de taal wordt
losgeweekt.
(Woordloos spreken, en
later: lichaamloos dansen).
MUZIEK (1): MUZIEKINSTRUMENTEN
Er is nog een tweede ontwikkeling die maakt dat de beweging van de
arbeidende en dansende mens wordt gesonoriseerd, zij het dan ditmaal niet door de
stem, maar door autonome geluidsbronnen: muziekinstrumenten. Hier voegt
zich niet langer het woord, maar de muziek bij de daad (arbeid of dans). Onderzoeken we hoe die stap wordt gezet.
Hierboven beschreven we hoe de concrete bewegingen van het menselijk
lichaam in hun herhaling worden gestuurd en in hun gelijktijdigheid
worden gesynchroniseerd door de mimetische impulsen die worden
veroorzaakt door de beweging zelf: het kappen van marcherende laarzen op het beton,
het neerkomen van de dorsvlegels op de dorsvloer.
Al bij de arbeid kan het voordeliger zijn om de mimetische impuls te produceren
door een andere geluidsbron. Want
ofwel maken de bewegingen niet genoeg geluid (zoals bij roeien), ofwel
zijn niet alle onderdelen gemarkeerd: riemen uit het water halen maakt nog minder lawaai dan
ze erin dompelen. Autonome geluiden geproduceerd door een mechanische
geluidsbron kunnen daaraan verhelpen: waarom op een galei het
voortstuwende en synchroniserende ritme werd geslagen door een slavendrijver op de plecht
van het schip.
Maar het is vooral de dans die het gebruik van autonome
geluidsbronnen in de hand werkt. Zoals gezien zijn het in de eerste
plaats de armen die expressieve bewegingen beginnen te maken, om
nog maar te zwijgen van hoofd en bekken. Geen van deze bewegingen
maakt geluid, zodat ze alleen door kijken kunnen worden gestructureerd
en gesynchroniseerd. Daaraan kan worden verholpen door aangepast
schoeisel te dragen (klompen, tapdansen) of door met de ene hand tegen
de andere te klappen of tegen het lichaam (billenkletsen). Nog
doeltreffender is ook hier het gebruik van autonome geluidsbronnen. Maar
daar wordt een prijs voor betaald: de handen die na hun
bevrijding uit de productieve bewegingen van de arbeid vrijelijk konden
opgaan in expressieve beweging, worden nu opnieuw ondergeschikt aan een
praktische opgave en daarbij gehinderd in hun (expressieve) bewegingsvrijheid.
Men kan het probleem milderen door mechanische geluidbronnen in te
zetten die
de beweging niet storen (belletjes aan aan enkels, castagnetten). Maar
de meest efficiënte oplossing is ook hier de
mechanische geluidsbronnen te laten bespelen door gespecialiseerde
muzikanten die de dansers begeleiden, zodat zij niet alleen vrij spel
hebben, maar ook veel krachtiger worden gestimuleerd.
| |
• |
cadens instrumenten |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
beweging danser 1 |
→ |
• |
... |
| |
• |
beweging danser 2 |
→ |
• |
... |
| |
• |
beweging danser n |
→ |
• |
... |
Aanvankelijk gaat het,
zoals bij stappen, alleen om slagen
op slaginstrumenten, die slechts één
toonhoogte kunnen produceren, zodat de mimetische impulsen alleen maar de maat en het ritme
van de beweging aangeven. Maar weldra ontwikkelt de mens ook
slaginstrumenten die meerdere tonen kunnen produceren, en die langer
kunnen worden aangehouden door strijken of blazen. Pas dan
kunnen muziekinstrumenten naast maat en het ritme ook de structurerende
rol van de bewegingsmelodie overnemen, die nu niet alleen is bevrijd van
haar onderschikking onder het woord, maar ook nog van de stem als
zodanig.
MUZIEK (2): HET SYSTEEM VAN DE MIMETISCHE IMPULSEN
Dat de bewegingmelodie voortaan door instrumenten wordt
geproduceerd en niet langer door de stem, schept de mogelijkheid om alle
beperkingen van dit oerinstrument op te heffen door systematische uitbouw
van alle variabelen van de
klank.
Al het gebruik van de stem om bewegingen te dicteren en te
synchroniseren leidt tot het accentueren van de
toonhoogte van de spraakmelodie. Maar het zijn pas de instrumenten die haar
kunnen bevrijden van elke
verbale ballast. De eenvoudige mathematische verdeling van de lengte van
de snaar of de klankkolom laat toe precieze toonhoogtes te produceren
die niet meer worden in- of uitgeluid door een aanloop of een afgang
zoals bij het spreken. De diverse soorten tonale stelsels kunnen nu zich
ontwikkelen. Almaar nieuwe soorten instrumenten worden gebouwd zodat
uiteindelijk de gehele scala van hoorbare tonen kan worden geproduceerd.
Door het samenspelen van meerdere instrumenten kan de cadens worden
uitgebreid tot akkoordopeenvolging zodat in een
volgende stap de harmonie kan worden ontwikkeld. De bewegingsmelodie
wordt zo tot het een complex geheel van één of meerdere melodieën met
begeleiding.
Om dezelfde reden kunnen ook ritme en metrum zich nu ontplooien
tot puur mathematische verhoudingen. Hun ontplooiing wordt niet langer
gehinderd door de inertie van lichamen of door de weerstand van te
bewerken materie: vingers (meeste instrumenten), en handen en armen met
hun verlengde in trommelstokken allerhande (slagwerk) kunnen ongehinderd
het gehele gamma van lichte en snelle tot zware en trage bewegingen
uitvoeren.
De bouw van almaar nieuwe instrumenten brengt ook een systematische
uitbreiding met zich van de timbres. Dat timbre kan - in het verlengde
van de expressieve lading van de stem bij het spreken of auditieve
expressies - worden gebruikt als
nabootsing van (of teken voor) eigenschappen van de uit te voeren
beweging.
Vervolgens krijgen we heel wat meer diversiteit in het verloop van de
toon. Zolang die aan de taal was ondergeschikt, blijft de aanslag beperkt
tot aanzet van klinkers en de aard van medeklinkers. Instrumenten kunnen
het gehele gamma van korte noten tot aangehouden noten produceren
(slagwerk, tokkelen, versus strijken, blazen) en doen dat met de meest
uiteenlopende vormen van aanzet en einde.
Door de introductie van muziekinstrumenten beschikken we dus over een
steeds meer gesofisticeerd systeem van mimetische impulsen. De
bewegingsmelodie wordt daarbij tot muziek tout court.
Om zich van de essentiële eigenschappen daarvan bewust te worden,
beluistere men het tweede deel van de zevende symfonie van Beethoven.
Een eenvoudige akkoordopeenvolging bakent meteen een gestructureerde
tijdsperiode af, waarbinnen men de ontplooiing hoort van een expressieve
beweging (een soort groepsgewijs voortschrijden). Op het einde worden stukken van
deze melodie door telkens andere combinaties van instrumenten gespeeld
met telkens andere aanzet, wat meteen illustreert wat de expressieve
betekenis is van klankkleur en verloop van de klank.
MUZIEK (3): DE GEBOORTE VAN HET SONORE LICHAAM
MUZIKALE MIMESIS
Het gebruik
van instrumenten komt in wezen neer op het uitbreiden van de
gebruikelijke visuele verschijning van de mens met een nieuwe auditieve
verschijning. Dat die muzikanten ook mensen zijn die daar voor onze ogen
muziek staan te maken waarop de dansers bewegen, bemoeilijkt het inzicht
dat de muziek die we horen eigenlijk de auditieve verschijning is van de
dansers. Dat inzicht dringt pas tot ons door als we volledig abstractie
maken van de muzikanten. Pas dan ervaren we de muziek als iets dat
uitgaat van van de dansers - zoals voorheen de zingende stem die de
bewegingen dicteerde. Pas dan lijkt het alsof de dansmuziek afkomstig is
uit de bewegende ledematen of het bewegende lichaam van de dansers.
Alsof elke beweging van arm, been, hoofd, bekken of romp het
bijbehorende geluid zou maken. Alsof het gehele lichaam van de mens in
al zijn onderdelen een klinkend wezen was. Alsof dat lichaam in al zijn
geledingen tonen te horen gaf, zoals het ook vorm en kleuren te zien
geeft. Alsof de mens niet alleen een zichtbaar, maar ook een hoorbaar
lichaam had - een
sonoor lichaam, zoals we het zullen noemen. Een hulpmiddel om
zich daar een voorstelling van te maken is te denken aan de belletjes
die rinkelen bij het dansen van de Gilles van Binche, of aan het geluid
van de motor in een auto die snel optrekt.
MUZIEK(4): DE ONSTUITBARE OPTOCHT VAN HET SONORE LICHAAM
Om de verder lotgevallen van het sonore lichaam te begrijpen is het van
groot belang zich te realiseren dat de bewegingen waarmee de mimetische impulsen
worden geproduceerd geheel andere bewegingen zijn dan de beweging die
worden gedicteerd: het slaan van de trommelaar is niet het dansen van de dansers.
| |
• |
spelen van de muzikant |
|
• |
|
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
muziek |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
beweging dansers |
→ |
• |
... |
Eenmaal de mogelijkheid gegeven om een sonoor lichaam te scheppen, is er
geen stoppen meer aan. Zeker, in eerste instantie produceert de muzikant auditieve mimetische
impulsen op maat van de bewegingen die moeten worden uitgevoerd. Maar
hij kan evengoed zijn fantasie de vrije teugel laten en nieuwe ritmische
en melodische patronen bedenken. Het komt daarbij goed van pas dat er
een scheiding is tussen muzikant en danser. Want dat houdt de
mogelijkheid in dat wat aanvankelijk een audiovisueel gebeuren is wordt
herleid tot puur auditief gegeven, zodat de muzikant niet langer
wordt gehinderd wordt door de beperkte mogelijkheden van het menselijk
lichaam. Pas door het dansende lichaam in de werkelijke wereld achter te
laten, kan hij zich vrij gaan bewegen in de wereld van het mogelijke. In
de limiet kan hij alle mogelijke bewegingen dicteren van de meest
uiteenlopende imaginaire wezens, afzonderlijk of in alle mogelijke
combinaties. Het schema hierboven ziet er dan uit als volgt:
| |
• |
(spelen van de muzikant) |
|
• |
|
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
muziek |
→ |
• |
... |
| |
↕ |
|
|
↕ |
|
| |
• |
beweging imaginaire sonore wezens |
→ |
• |
... |
De haakjes geven aan dat we de muziek niet mogen begrijpen als het
resultaat van de beweging van de muzikanten, maar wel degelijk van de
beweging van imaginaire sonore wezens.
De onstuitbare optocht van het imaginaire sonore lichaam omvat ook meer
bescheiden projecten. Na het sonoriseren van de vele geluidloze
bewegingen van het menselijk lichaam kan de muziek ook de geluidloze
bewegingen van vele andere verschijnselen sonoriseren: het zwemmen van
vissen (Die Forelle van Schubert) en het vliegen van vogels (Die Krähe
van Schubert, de twee leeuweriken in 'Im Abendroth' van Richard
Strauss), de bewegingspatronen van het water in fonteinen - wat nog iets
anders is dan het het eentonige klateren ('Villa d'Este' van Liszt), het
'ritselen' van de bladeren in (Waldweben van Wagner), het kabbelen van
rivieren en het golven van de zee (Rheingold van Wagner, La Mer van Debussy, Klangfarben van Arnold
Schönberg)het flonkeren van sterren (Vier Letzte Lieder van Richard
Strauss) en van goud (Rheingold van Wagner). Vervolgens is er de
sonorisering van verschijnselen die niet eens bewegen zoals de roerloze
zee in 'Hor che'l ciel' van Monteverdi, het Walhalla van Wagner. Zoals in Wagners Karfreitagszauber
is het alsof alle wezens in de
muziek een sonoor lichaam krijgen: alles lijkt te bewegen of te verschijnen op grond van
het geluid waarin een innerlijke wil zich uitdrukt.
De geboorte van het sonore lichaam houdt dus in dat de muziek zich niet
alleen losmaakt van de het spreken en de arbeid, maar ook nog van de
dans en daarmee van het menselijke lichaam.
Zeker, muziek - die immers in wezen een mimetische impuls is die niet
alleen bewegingen dicteert en structureert, maar boven alles anderen
aanzet tot synchrone bewegingen - blijft de luisteraars én muzikanten aanzetten om
bewegingen uit te voeren (zie dadelijk: mimetische mimesis?). Maar hoe
meer de muzikant - en weldra ook: de componist - zijn creativiteit de vrije loop laat, hoe meer de
danser stuit op de
tekortkomingen van zijn aardse lichaam. Daarom geven luisteraars en
uitvoerders in de regel die vruchteloze pogingen op. De luisteraars
doen dat door niet langer dansers te willen zijn, maar door als het ware
onzichtbaar te worden, los te komen uit de visuele wereld, en als pure auditieve verschijning
op te gaan in de imaginaire monosensoriële wereld van de muziek. De uitvoerders doen dat eveneens door zichzelf te
reduceren tot hun auditieve verschijning in de monosensoriële muziek, terwijl ze in de
visuele wereld met hun visuele lichaam op hun instrument de geluiden produceren die
worden geacht van sonore wezens afkomstig te zijn. Een
overgangsstadium is wanneer de luisteraars zich beperken tot het
meestampen van de maat met de voet, of wanneer de
instrumentalisten, wier mond, vingers en de armen al in beslag
zijn genomen door het bespelen van hun instrumenten, een rudimentaire
invulling proberen te geven aan de auditieve impulsen door bewegingen
van de rest van hun lichaam.
Alleen de suprematie van het zichtbare - de terreur van het oog - maakt
het ons moeilijk om te aanvaarden dat er zoiets bestaat als puur
sonore wezens. Zeker, in principe kunnen we ons bij elke
muziek de bijbehorende wezens en fenomenen voorstellen - al moet er met
nadruk worden aan herinnerd dat het in de muziek in de regel gaat over
imaginaire wezens, en niet over alledaagse wezens of fenomenen zoals
dansers, of
vogels en vissen, ritselende bomen en kabbelend water, flonkerende
sterren en goud, en wat dies meer zij. Maar het beantwoordt beter aan het wezen
van voltooide muziek om ze als puur auditief op te vatten. Want net
zoals je je bij een lach meteen de bijbehorende 'ziel' voorstelt zonder
je eerst nog een lachend gezicht voor te stellen, en net zoals je bij
het horen van een woord meteen de betekenis vat, zonder je eerst te
moeten voorstellen welke bewegingen de lippen maakten bij het uitspreken
ervan, stel je je bij een uitdrukking van het sonore lichaam meteen de
bijbehorende gesteldheid voor, zonder je eerst af te vragen hoe de
visuele tegenhanger van de sonore lichaam eruit ziet. De wereld van de
muziek waarin de sonore wezens en fenomenen zich bewegen is dus, net als
de wereld van de taal waar de muziek uit voortspruit, in wezen een
monosensoriële wereld.
MUZIEK IS MIMESIS
In het bovenstaande beschreven we hoe de spraakmelodie (cadens)
in haar ritmisch-metrische, melodische en expressieve aspecten niet
langer door de stem werd geproduceerd maar door instrumenten. Vervolgens
beschreven we hoe ten gevolge van die overdracht op instrumenten dat ritmisch-metrische patroon niet langer de articulatie van woorden
en expressies bewegingen dicteert, maar uitsluitend arbeidsbewegingen of expressieve bewegingen,
en daardoor tot bewegingsmelodie wordt. Vervolgens zagen we hoe,
evenzeer ten gevolge van diezelfde overdracht op instrumenten, de
bewegingsmelodie zich op vlak van toonhoogte, ritme en metrum,
klanksterkte en kleur tot een volledig uitgebouwd systeem van mimetische
impulsen ontplooit. Tenslotte
beschreven we hoe de door instrumenten geproduceerde bewegingsmelodie
zich losmaakt van de concrete bewegingen van het menselijk lichaam en wordt ervaren als het sonore lichaam van een bijzonder soort (sonore)
wezens. Als deze vier ontwikkelingen zijn
voltooid krijgen we te maken met het verschijnsel dat we muziek plegen
te noemen.
Het bovenstaan geeft ons misschien wel een beter inzicht in wat muziek is, maar
blijft ons het antwoord schuldig op de vraag die ons hier toch bezig houdt: is
muziek (contemplatieve) mimesis, net zoals gewone auditieve mimesis, beeldende kunst en literatuur?
De lange voorbereiding was echter niet overbodig: ze laat ons
integendeel toe om snel een duidelijk antwoord te geven. Muziek is
inderdaad mimesis, en wel om de doodeenvoudige reden dat mimetische impulsen die de opgeroepen sonore wezens te horen geven,
niet worden geproduceerd door deze wezens zelf, maar door muzikanten op
een instrument. In die zin zijn de mimetische impulsen die de muzikanten
uit hun muziekinstrumenten weten op te weken te vergelijken met de beelden die de schilder in de verf op
zijn doek tevoorschijn tovert.
Merken we op dat de dans waaruit de muziek wordt geboren daarmee
niet ook tot kunst wordt. Hij blijft tot het gebied van de werkelijkheid behoren: dans is tentoongestelde werkelijkheid. Dans wordt pas tot
een vorm
van (bewegende driedimensionale visuele) kunst als de dansers ertoe
overgaan personages uit te beelden, zoals de regel is in ballet. De
bijbehorende muziek, ook al is het vrij rudimentaire dansmuziek, is wel degelijk mimesis, omdat
ze niet wordt geproduceerd
door de beweging van de dansers, maar door de bewegingen van de
muzikant.
MUZIEK IS VOLTOOIDE MIMESIS
Er is echter een belangrijk verschil met de visuele kunsten en
gewone auditieve mimesis. Muziek kan geen
onvoltooide mimesis zijn - mimesis
die een bestaande auditieve verschijning nabootst. Onvoltooide auditieve mimesis is bij uitstek het terrein van de gewone auditieve
nabootsing. Muziek daarentegen is principieel
voltooide mimesis - mimesis die zelf de sonore
wezens schept die ze nabootst. Dat geldt zelfs voor de primitieve
voorvormen van muziek waarbij een geluid op een muziekinstrument reëel
uitvoerbare bewegingen van visueel waarneembare wezens dicteert, zoals
bij de trommel die het roeien van de galeislaven dicteert, evenals voor
de lagere vormen van muziek zoals de dansmuziek (billenkletsen en
tapdansen). Want in beide gevallen produceren de muzikanten een
auditieve verschijning die de roeiers of de dansers niet hebben. We
kunnen vergelijken met de gevallen waarin de plastische kunstenaar een
visuele verschijning verschaft aan onzichtbare wezens (zoals wind,
straling, aura's, astrale lichamen), al doet hij dat dan meestal door
beroep te doen op (metaforisch of metonymisch) verwante
verschijningswijzen.
MUZIEK IS ONMIDDELLIJKE MIMESIS
Het is van groot belang zich te realiseren dat we in muziek wel degelijk
te maken hebben met een zintuiglijk waarneembare - hoorbare -
verschijning (van niet-bestaande wezens). Net zoals de visuele verschijning is ze de uitdrukking van
een innerlijk - van een 'ziel' of van Schopenhauers 'wil'. Maar net zozeer als bij een gelaat, is dat innerlijk niet als zodanig waarneembaar,
zoals vele theorieën ons zouden willen laten geloven die beweren dat
muziek ons rechtstreeks toegang verschaft tot de ziel. We maken ons
evenmin een voorstelling van zo'n ziel, net zo min als bij het bekijken
van een portret. In de muziek net zozeer als in de visuele kunsten is de
ziel rechtsreeks waarneembaar in haar verschijning. Muziek verschilt van de visuele kunsten alleen maar doordat ze
uitgaat van een verschijningswijze die in de werkelijke wereld
nauwelijks is ontwikkeld - de mimetische impulsen die zijn vervat in het
spreken - en die pas door de muziek zelf tot volledige ontplooiing wordt
gebracht. Alleen gewone auditieve mimesis gaat uit van een
bestaande verschijningswijze die we meteen ook als zodanig herkennen: denk aan de
gewone auditieve nabootsing van lachen of
wenen, of van de kreten van dieren en
de zang van vogels. Alleen gewone auditieve mimesis is daarom
rechtstreeks te vergelijken met de gebruikelijke vormen van visuele
mimesis. Ook hier is het mogelijk om te
essentialiseren en
te idealiseren.
Maar de gewone auditieve verschijning van wezens en fenomenen is in de
regel te arm om zich te kunnen ontwikkelen tot een volwaardige vorm van
kunst - zoals gezien is de werkelijkheid in wezen het
rijk van de stilte. Daarom komt gewone
auditieve mimesis alleen tot ontwikkeling binnen het raam van de veel
vruchtbaardere muzikale mimesis (zie 'mengvormen').
MUZIEK IS MONOSENSORIËLE MIMESIS VAN MONOSENSORIËLE WEZENS
Muziek is een puur auditieve kunst. Ze kan het stellen
zonder enige tussenkomst van andere zintuigen. Ze is monosensorieel, net zoals schilderkunst en
gewone auditieve mimesis.
Maar er is meer: muziek is niet alleen als mimetisch
medium monosensorieel, ook de wereld die ze oproept is dat.
Door het scheppen van nieuwe auditieve verschijningen zet muziek de verhoudingen in de echte wereld op zijn kop: waar
de echte wereld in wezen een visuele wereld is - het rijk van het licht
- waarin de auditieve
slechts bij gelegenheid opgaat, is de muzikale wereld in wezen een auditieve wereld,
waar al helemaal geen visualiteit meer aan te pas komt.
Om Hanslick te
parafraseren: we krijgen niet langer te maken met 'tönend bewegte Formen', maar
met 'tönend bewegte Seelen'. Zich visuele voorstellingen willen
maken bij muziek is daarom zeer onmuzikaal - even onmuzikaal als het
onplastisch is
om de Mona Lisa te willen aanraken
of om te willen vrijen met een beeld.
Dat belet niet dat we bij het horen van muziek of van gewone
auditieve mimesis vaak de neiging hebben ons een visuele voorstelling
te maken van wat we
horen, net zoals we
ons bij het bekijken van een schilderij vaak een voorstelling maken
van het geluid of de tactiele of gustatieve ervaringen die horen bij wat
we zien (het geluid bij de lach of de warmte
van de huid). De neiging om dat te doen is veel
sterker bij auditieve mimesis (de gewone zowel als de muzikale) dan bij de (niet-bewegende) plastische kunsten. Dat komt omdat
we in de werkelijke wereld de onbedwingbare neiging hebben om ook te
zien wat we horen: wat hoorbaar is, is in principe altijd ook zichtbaar.
Het omgekeerde is niet waar: wat zichtbaar is, maakt zoals gezien niet altijd geluid. Hier bestaat de neiging om ook
te horen wat we zien alleen maar als we weten dat wat we zien ook geluid
maakt: zoals wanneer we iemand zien spreken achter een dikke ruit. Vermits in de
niet-bewegende visuele kunsten meestal voorwerpen te zien zijn die niet
bewegen, ervaren we de monosensorialiteit van een beeld dus zelden als
storend. Alleen als er bewegingen te zien zijn die geluid maken, ervaren we de film als
'stom', en hebben we de neiging om ons het ontbrekende geluid voor te
stellen. De beweging van oor naar oog vindt in de echte wereld zelf
weer haar verlengde in de beweging naar tastzin: als wat we zien gewenst
is, willen we het vervolgens ook aanraken, proeven, of ermee vrijen.
Maar de overgang is niet dwingend. Wel integendeel: we zijn het gewoon
om het merendeel van onze wakkere tijd door te brengen in een omgeving
die we slechts via onze afstandszintuigen waarnemen. Daarom valt het ons
makkelijker om niet te voelen wat we zien, dan om niet te zien wat we
horen.
Waar we toch gehoor geven aan de neiging om het zintuiglijke beeld te
vervolledigen, krijgen we inzake mimesis
de productie van multisensoriële nabootsingen (integratie van de kunsten, multimedia). Gewone
auditieve mimesis vindt zijn natuurlijke aanvulling in bewegende visuele mimesis: theater of de geluidsfilm
(nabootsing van geluiden en van dialoog). Maar
inzake muziek is deze uitbreiding niet zo
probleemloos. We zagen al hoe muziek pas tot volledige ontplooiing kon
komen door zich los te maken uit het visuele. Maar
het verlangen om te zien wat we horen wordt inzake muziek versterkt door nog een tweede
drijfveer. Muziek is immers in
wezen een mimetische impuls die
lichamen doet bewegen, en dat komt neer op een uitbreiding tot de
visuele dimensie. Die innerlijke tegenstrijdigheid komt tot uiting in de
tegenstrijdige
richtingen waarin muziek zich ontwikkelt. Enerzijds trekt de muziek zich
steeds meer soeverein terug in de opgedreven monosensoritaliteit waarin ze volledig tot ontplooiing komt. De
neiging om de beweging uit te voeren beperkt zich dan tot de ervaring
dat de muziek de sonore uitdrukking is van een innerlijk zonder visueel
'uiterlijk'. Anderzijds is er de neiging om de bewegingen zelf uit te voeren of te laten
uitvoeren door gespecialiseerde dansers, die dan ook een visuele
gedaante aannemen met de bijbehorende ingeperkte rijkdom van bewegingen. Dat is duidelijk te horen
in het grote verschil
tussen zuiver auditieve - absolute - muziek enerzijds en balletmuziek en dansmuziek
anderzijds. Maar zelfs de gekortwiekte balletmuziek kan slechts
gebrekkig worden vertaald in de bewegingen van balletdansers die zijn
onderworpen aan de zwaartekracht en zich bevinden in een lichaam met een
beperkt aantal bewegingsmogelijkheden. In het geval van uitbreiding tot ballet krijgen we een
vorm van integratie van de kunsten die de tegenhanger is van de
combinatie van visuele met gewone auditieve mimesis in theater en geluidsfilm. In het geval
van gewone dans is er, zoals gezien, geen sprake van een combinatie van
twee kunsten, maar van een combinatie van kunst met tentoongestelde
werkelijkheid (zie mengvormen
hieronder).
MUZIEK IS (CONTEMPLATIEVE) MIMESIS VAN (ACTIEVE)
MIMESIS
De term 'tentoongestelde werkelijkheid' is inzake dans wel erg toepasselijk.
Alle dansers vormen zich tijdens de dans demonstratief om tot elkaars beeld en
gelijkenis: ze voeren allen synchroon dezelfde bewegingen uit zoals ze worden
voorgeschreven en gesynchroniseerd door de muziek.
Demonstratief een bepaalde daad stellen of activiteit doen - in casu
groepseigen dansbewegingen - en daarmee de anderen uitnodigen om dat ook
te doen, en wel liefst synchroon, is dé manier bij uitstek waarop mensen te
kennen geven dat ze samen horen: een groepsbindend ritueel als uiting
van communale liefde. Daarom is dans het groepsbindend ritueel bij
uitstek.
Dat geeft een nieuwe dimensie aan ons onderwerp. Want zoals hierboven
aangetoond, is het gezamenlijk uitvoeren van dezelfde bewegingen ook mimesis,
zij het
actieve, en geen contemplatieve mimesis. Elk groepsbindend ritueel kan
dus worden omschreven als een vorm van actieve mimesis.
In de muziek wordt deze vorm van actieve mimesis onverbrekelijk
verbonden met de contemplatieve mimesis die constitutief is voor kunst:
muziek is contemplatieve mimesis van actieve mimesis.
De vereniging is gefundeerd in het feit dat de auditieve verschijning
die de muziek verschaft aan de wezens die ze oproept bestaat
uit auditieve mimetische - groepsbindende - impulsen. (Aristoteles
mimesis door toeschouwer van de muziek Gebauer 56).
Het loont de moeite de verschillende fasen te beschrijven waarmee deze synthese tot stand komt.
Ook lang voor ze muziek zijn geworden, dienen mimetische impulsen zoals
gezien in de eerste plaats om gelijkaardige bewegingen te synchroniseren en daarmee zijn
samenhorigheid te demonstreren. Dat is duidelijk te zien bij marcherende
soldaten.
Elke soldaat nodigt met het beuken van zijn laars het dreunen van alle
andere laarzen uit, en het dreunen van al deze andere laarzen nodigt op
zijn beurt de dreun van elke afzonderlijke laars uit. Het gedreun van alle
laarzen samen belichaamt dus als het ware de collectieve wil tot
samenhorigheid en is tegelijk de reële auditieve verschijning van de
gemeenschap. De situatie
verandert als er, in een tweede fase, instrumenten worden ingevoerd zodat er een
splitsing ontstaat tussen muzikant en danser. Maar zowel de dansers
als de muzikanten ervaren de muziek als de
uitdrukking van hun gemeenschappelijk wil om de bijbehorende bewegingen uit te
voeren. Maar, anders dan bij de
marcherende soldaten, is de auditieve
verschijning van de groep hier niet meer reëel: het zijn immers de muzikanten die het geluid van
de imaginaire sonore lichamen
produceren die allen als hun auditieve verschijning ervaren.
In de auditieve wereld betreden we dus het rijk van de kunst. In de visuele wereld
blijven echte lichamen echte bewegingen uitvoeren. De visuele waarneming van de
identiteit daarvan is een bron van communaal genot, maar dat geldt nog
meer voor
de ervaring dat allen hun auditieve verschijning vinden in de muziek die
daardoor ook tot de nagebootste auditieve verschijning van de groep
wordt. Tegen deze achtergrond wordt ook duidelijk hoe, in een derde fase, de verbinding
tot stand komt bij pure luistermuziek. De visuele dimensie valt hier
helemaal weg: allen gaan op in de wereld van de muziek. Maar de mimetische
impulsen blijven de luisteraars uitnodigen om de
bijbehorende bewegingen uit te voeren. Ze doen dat echter niet langer
met hun visuele lichaam, maar met hun puur auditieve sonore lichaam: alle uitvoerders en alle luisteraars ervaren de muziek als de
sonore uitdrukking van hun wil om te bewegen op een
manier die hun innerlijke gesteldheid uitdrukt, evenals van de wil om deze
gesteldheid
met anderen te delen.
Door de combinatie van actieve met contemplatieve mimesis verschilt muziek wezenlijk van andere vormen van mimesis. In de
andere kunsttakken zijn we toeschouwers op (de wederwaardigheden
van) wezens, waarmee we ons eventueel wel kunnen identificeren, maar die
niettemin in eerste instantie objecten zijn van onze contemplatie.
In muziek daarentegen zijn we wat we horen. Het is alsof we bij het
bekijken van de Mona Lisa meteen ook haar gelaatstrekken zou krijgen en
haar houding zouden aannemen, en alsof ook de andere toeschouwers deze
metamorfose zouden ondergaan en zich daardoor zielsverwant zouden
voelen.
Dat neemt niet weg dat ook andere vormen van
nabootsing groepsbindend zijn. Bij visuele kunsten is het gezamenlijk
kijken of goedkeuren groepsbindend. Maar het collectieve genot -
simultaan of successief - is hier niet wezenlijk verbonden met de
esthetische ervaring zelf, ze is er uiterlijk aan (zoals ook het geval
is met met eten of
kleren).
Het is deze integratie van actieve en contemplatieve mimesis die er
verantwoordelijk voor dat we de stellig indruk hebben dat de muzikant
zich via het bespelen van zijn instrument uitdrukt. Het is waar dat de
muziek de expressie is van de muzikant (net zozeer als van de
luisteraar). Maar het is niet waar dat hij zich uitdrukt via zijn
spelen: net zoals bij de toeschouwer is de muziek de uitdrukking van
zijn (imaginaire) sonore lichaam. Dat we niettemin de stellig indruk
hebben dat de muzikant zich uitdrukt via het bespelen van zijn element
komt omdat we,
zoals boven beschreven, problemen hebben om ons sonore lichamen voor te
stellen die onzichtbaar zijn, zodat we ons maar al te gretig
vastklampen aan de idee dat de kunstenaar zich via het instrument
uitdrukt in de muziek. Hoe misleidend deze voorstelling blijkt meteen
als de muzikant poging begint te ondernemen om zelf de expressieve
bewegingen uit te voeren die horen bij het sonore lichaam (zoals de
dansers). Hij kan de alleen maar de expressieve bewegingen uitvoeren met die
onderdelen van hun lichaam die niet worden in beslag genomen door de
productie van de auditieve verschijning. En uitgerekend de
onderdelen van zijn lichaam waarvan we aannemen dat hij er zich mee
uitdrukt, maken bewegingen die wezenlijk verschillen van de bewegen die
horen bij het sonore lichaam dat hij ermee oproept.
Het is deze integratie van actieve en contemplatieve mimesis die vooral verklaart waarom velen terecht de
stellige ervaring hebben dat muziek 'direct' de
ziel aanspreekt. Juist aan deze ervaring is immers dat we via de
verschijning ook de bijbehorende ziel worden. Gesteld dat we bij het
bekijken van de Mona Lisa er zouden gaan uitzien zoals zij, dan zouden
we evenzeer haar 'ziel' zijn geworden. Fout aan deze ervaring is alleen
de bijbehorende gedachte dat er zoiets bestaat als een ziel die
verschilt van haar verschijning....
DE STEM ALS MUZIEKINSTRUMENT: VAN SPREKEN NAAR ZINGEN
Lorelei of de Sirenen.
Vooraleer dieper in te gaan op de eigenaard van de nieuwe wezens die de
muziek schept, moeten we even
stilstaan bij het effect van de introductie van instrumenten op de stem
en de bijbehorende zanger.
Instrumenten weken het tonaal-melodische en metrisch-ritmische stelsel
van de taal uit het spreken los. Maar dat betekent niet dat
muziek voortaan uitsluitend met instrumenten wordt gemaakt. De stem
blijft als het natuurlijke orgaan van auditieve expressie een
bevoorrechte rol spelen. Maar zodra ze niet langer auditieve expressies
(zoals lachen of wenen) uit of zodra ze niet langer spreekt, maar een melodie zingt
op discrete toonhoogtes, wordt ze een instrument als alle andere: een
geluidsbron die in staat is ritmische en melodische patronen te
produceren door toedoen van een muzikant - in casu: een zanger. Net als
de overige muzikanten is de zanger iemand anders dan degene wiens sonore
lichaam hij nabootst. In het 'Duo Seraphim' uit de Mariavespers van
Claudio Monteverdi horen we geen zingende engelen: eerder horen we
engelachtige wezens in de hemelen fladderen (Berio).
Ophouden met spreken is voor de stem niet zo evident. Ze is immers
gewoon van te articuleren, en kan aan het uitspreken van woorden alleen
ontsnappen door melismen te zingen of puur betekenisloze lettergrepen,
door te zingen op geneutraliseerde tekst, of op een tekst die een of
andere inhoudelijke relatie aangaat met wat de muziek uitdrukt. Dat
leidt tot allerlei mengvormen van mimesis, waar we verder in detail op
terugkomen.
NIEUWE ORIGINELEN (1) MUZIKALE WEZENS
Om onze benadering geloofwaardig te maken, is het niet overbodig om een
meer nauwkeurige beschrijving te geven van de nieuwe sonore lichamen -
de nieuwe originelen - die
worden geschapen door de muziek.
1. Eenlagig of meerlagige wezens.
In de werkelijke wereld spelen de bewegingen van het menselijk lichaam
zich af op drie niveaus: er zijn de grovere bewegingen van het lichaam
dat zich verplaatst (benen en romp), de al fijnere bewegingen van het
gesticuleren met armen en handen, en de nog fijnere bewegingen van
gelaat en vingers. In elk van deze lagen drukt zich op eigen manier een
deel van één meer omvattend wezen
uit.
In vele gevallen (vooral bij dansmuziek) zijn deze drie niveaus aanwezig
in de muziek. Er is een (eerder diepere) laag met een trager, meestal
ritmisch patroon, en een tweede (meestal hogere) laag met een sneller
bewegingspatroon (dat vaak uit verschillende eenheden bestaat - de
tegenhangers als het ware van twee armen en/of het hoofd).
Nog kleinere bewegingen worden meestal binnen deze tweede laag
aangebracht (als versieringen, voorslagen enz.). Het gaat om meerdere
expressieve systemen, elk met hun eigen 'traagheid'. Het grovere systeem
wordt meestal ervaren als een meer aards lichaam, het fijnere als de
meer etherische
'ziel' die in dit lichaam woont en die zich in een veel wijdere ruimte
lijkt te bewegen (zie 'muzikale ruimte' hieronder). Zo lijkt in 'Nuages Gris' van Franz Liszt
een wezen zich op te splitsen
in twee delen: een soort ziel lijkt aarzelend te willen ontsnappen uit
een lichaam dat met
wankelende pas op de aarde achterblijft.
Niet altijd is het wezen monolithisch. Soms wordt eenzelfde gesteldheid
uitgedrukt door meerdere gelijkaardige organen (beide benen of armen,
alle vingers - of meerdere gelijkaardige imaginaire organen. Het is alsof een wezen met al zijn organen dezelfde
bewegingen uitvoert. Ook: Boulez Notation I, maar ook II, Sacre). Soms
zijn er meerdere verwante of tegenstrijdige gevoelens, wat zich dan
uitdrukt in een splitsing of verdubbeling van de expressie in één van de
lagen. Vaak gaat het om
verinnerlijkte personen (zoals de stem van
het geweten kunnen we ook de bergende stemmen van de moeder of van de
gemeenschap).(Grafscène uit Don Giovanni).
Maar niet altijd leunen de muzikale wezens zo dicht aan bij reëel
bestaande originelen. Veel muzikale wezens verwijderen zich van dat
model doordat ze zich bewegen in een organisme met een kleiner aantal
lagen.
Dat is van meet af aan het geval als vogels, vissen of slangen worden
weergegeven: hun bewegingen lijken alleen van van één monolithisch lichaam
uit te gaan:
-
Die Krähe van Schubert: trioolmotief dat daalt,
naar het einde van de weg/het leven toe (begeleid met het stappen van de
wandelaar)
-
Die Forelle van Schubert: alsof ze uit het water springen of een horizontale
bocht maken)
- de vlucht van de hommel en gelijkaardige bewegingen van imaginaire
wezens
Monolithische beweging zien we ook vaak als de innerlijke zielenhelft van de
mens aan bod komt, die zich dan helemaal vrij in de muzikale ruimte
(psychische ruimte) beweegt.
- De 'ziel van Tristan' die zich in het begin van het derde bedrijf van
Wagners Tristan en Isolde, als het ware op vleugels boven het duistere
ondermaanse verheft.
Het stoffelijk lichaam (waar hij mee danst) worden dan gewoonweg buiten
spel gezet.
Met dat stoffelijk lichaam van hem is de mens niet
altijd tevreden (zelfs niet als hij danst): vaker zou hij er zich ook
als een vogel in lucht mee kunnen bewegen.
- De 'engelen' uit 'Et hi tres' van Monteverdi
In andere gevallen hebben ze niet eens meer vleugels zoals engelen, maar
lijken ze
tot de auditieve tegenhangers van lichtende aura's te zijn geworden:
klinkende stromen van (golvende) energie (of emotie). De wil uit zich
dan niet zozeer in de manier van voortbewegen, maar in de manier waarop
het organisme in zichzelf beweegt: uitzetten en inkrimpen, ademen,
stralen.
- De breed uitgesponnen golvende bewegingen van Tristan en Isolde
tijdens het Liefdesduet uit Tweede Bedrijf. Akkoordenstroom als
sympathisch-bergende wereld waarin ze zijn ingebed.
- de zeer
elementaire, ingehouden patronen zoals in Stasimo Secondo of Quando
Stanno Morendo.: langzaam in de ruimte zwevende figuren (lichtende
wezens)
Het zijn uiteraard niet altijd individuele wezens die worden afgebeeld. Er zijn
ook duo's, trio's, kwartetten enz. of hele grote groepen en combinaties
daarvan. Dat het om
meerdere wezens gaat in plaats van meerdere expressieve systemen van één
enkel wezen, is af te leiden uit het feit dat het niet langer gaat om
bewegingen met een verschillende traagheid. We krijgen hier dan een vermenigvuldiging in
éénzelfde laag, zoals bij de boven beschreven interne opsplitsing van de
wil in meerdere verwante of tegenstrijdige onderdelen.
Het kan gaan om stemmen met een identieke of verwante melodie (zoals bij zingen in tertsen):
Een goed voorbeeld is 'Harold
en Italie' van Hector Berlioz. We hebben hier te maken met meerdere die
een gelijkaardige gemoedsgesteldheid uitdrukken, en lijken te stappen op
eenzelfde gemeenschappelijk ritme in de bas. (De intermitterende toon
beeldt een soort dreiging uit op een onbestemde plaats).
In andere gevallen hebben we eerder te maken met stemmen met een
complementaire of tegengestelde bewegingen (zoals bij zingen in homofone akkoorden, waar
het ritme identiek blijft). Bij Hostias en .... gaat het om
verschillende patronen.
2. Omvang
We wezen er hierboven al op dat de fijnere systemen zich in een wijdere
ruimte lijken te bewegen. Dat komt omdat het lichaam zich met de benen
(expressief) in de wereld beweegt, maar niet met de armen en het
hoofd. De bewegingen daarvan zijn pure expressies van een innerlijke
gesteldheid. En vermits de muziek puur auditief is, is dat innerlijk
niet langer een binnenste dat wordt omsloten door de oppervlakte van een
huid, die zelf weer omgeven is door een ruimte.
Bevrijd als ze is van elk lichamelijkheid, expandeert de ziel
dan vrijelijk in de ruimte. Naarmate het lichaam verinnerlijkt -
naarmate het ophoudt met zich te verplaatsen in de ruimte en pure
innerlijkheid wordt, lijkt de begrenzing van het innerlijk wel weg te
vallen, zodat de ziel uiteindelijk de gehele ruimte begint in te nemen. Het lijkt dan
alsof de klank de gehele muzikale ruimte doordringt.
De overgang is duidelijk te horen in Hostias uit het Requiem van
Berlioz. Het expressieve stappen van de menigte in een ruimte met een
richting, wordt plots vervangen door de expansie van alle zielen die met
elkaar versmelten in één omvattende bezielde ruimte. In de inleidende maten van
het derde
bedrijf van Wagners Tristan en Isolde bevinden we ons van meet af aan in
de grenzeloze muzikale ruimte. De ziel van Tristan lijkt wel kosmische proporties te hebben
aangenomen. Aanvankelijk lijkt ze die in de diepste registers helemaal
te doordringen, maar haar tegenwoordigheid verijlt naarmate de beweging
versneld de hoogte in gaat. Ook de aanhoudende stroom van akkoorden
zoals we die horen in Wagners 'Liefdesduet van Tristan en Isolde' en aan
Richard Strauss' 'Im Abendrot' vertegenwoordigt de bergende gemeenschap
waarin de individuele ziel zich beweegt.
Dat belet niet dat muziek ook de omvang van wezens die zich expressief voortbewegen kan doen toenemen. In Siegfrieds Tod lijkt lijkt het wel of er
een reus is opgestaan. Hier gaat de uitdijing in tijd en ruimte gepaard
met vergroten van de maat van de beweging. Omgekeerd kan muziek ook een
geëxpandeerde ruimte oproepen vanwaaruit we in vogelperspectief talloze
wezens zien bewegen, zoals in het Scherzo van de
9e symfonie van Beethoven.
3. Gewichtsloos
Zoals we zo dadelijk zullen zien, is er in de muzikale ruimte wel een
onder en een boven, maar niet zoiets als een aardoppervlak, laat staan
een zwaartekracht die de wezens aan de aardbodem gekluisterd
houdt. In de muzikale ruimte lijken de wezens te zweven. In Harold en
Italie hebben we wel de stellige indruk dat we impulsen horen die
stappen dicteren, maar deze stappen worden geenszins gezet door concrete
voeten op de begane grond. Zelfs de reus in Siegfrieds Tod lijkt niet
echt op de grond te stappen.
Onnodig te zeggen dat de muziek van al deze originelen de getrouwe
nabootsing is.
4. 'Onstoffelijk': het gaat om een wil die ergens wel een lichaam
dicteert, maar van dat lichaam kennen we niet de visuele vorm, alleen de
expressieve betekenis en de grootte.
(Bartok, Nachtmusiken, Seriële muziek)
NIEUWE ORIGINELEN (2): SOCIALE RELATIES
In principe beantwoordt aan elke muzikale stem een wezen, een expressief
deelsysteem daarvan, of een deelaspect van een meervoudige
persoonlijkheid. Gemakshalve hebben we het hieronder alleen over gehele
wezens, al is het evenzeer van toepassing op deelsystemen of
deelaspecten daarvan.
Deze wezens kunnen zich op vele manieren tot elkaar verhouden.
De meest voor de hand liggende manier om samenhang hoorbaar te maken is unisono samenzingen.
(gregoriaans) (adagio negende symfonie Beethoven). De verscheidenheid in
de eenheid kan worden benadrukt door te zingen in octaven (meestal
gekoppeld aan geslachtelijke verschil), of in kwinten , kwarten vb organon).
of tertsen. De naakte identiteit bij parallelle verdubbeling kan worden
vervangen door een complexere eenheid waarbij allen zich op ongeveer
hetzelfde ritme bewegen op complementaire melodieën waarvan de noten
telkens de trappen zijn van akkoorden in een opeenvolging van akkoorden
die de gehele gemeenschap bind in de innigheid van homofone samenzang -
denk maar aan de koralen van Bach, de prachtige gezangen in de Orthodoxe
kerk, of het Adagio (?) uit het strijkkwintet van Schubert. De spanning tussen
eenheid en verscheidenheid kan nog worden opgedreven door de stemmen
niet gelijktijdig te laten bewegen, maar na elkaar te laten invallen. In
de meest eenvoudige versie beginnen de nieuwkomers te zingen als de
melodie is voltooid (zoals in het begin van de negende symfonie van Beethoven,
de Bolero van Ravel). Iets verfijnder is het als de nieuwkomers invallen
terwijl hun voorgangers nog bezig zijn. We krijgen dan de vele vormen van de canon.
Een interessant voorbeeld is het trio uit Joseph Haydns kwartet nr. ) ((derde deel van
Lassus Benedictus 5 uit Missa Osculetur me,
Einde van Credo uit Missa Osculetur me Lassus). Nog meer verfijnd is
wanneer de nieuwe deelnemers
elkaar niet
langer zomaar letterlijk nabootsen, maar een complementaire melodie laten
horen: dan krijgen we de de fuga, waar de eerste stem een complementair tegenthema zingt als de tweede invalt enz.
De fuga, die al vanouds als paradigma van de
abstracte, mathematische bewerking in de muziek wordt opgevoerd, blijkt
in werkelijkheid hét paradigma te zijn van de mimesis van harmonische
sociale relaties..
Naast deze patronen waarbij gelijkwaardige wezens zich tot elkaar
verhouden, zijn er ook voorbeelden van meer hiërarchische relaties
waarbij de groep zich organiseert rond één enkel individu (leider,
bewonderd ideaal). Meest voorkomend is de organisatie rond de sopraan (Lamento
de la Nymfa van Monteverdi), maar er zijn ook voorbeelden van
organisatie rond de bas (Monteverdi, inleiding tot het achtste
madrigaalboek). Er zijn uiteraard ook vele andere sociale patronen denkbaar. In de
Hostias uit Berlioz' Requiem horen we in het middelste register een
deemoedige groep mensen, terwijl in het hoogste
en het laagste register een soort goddelijk wezen de overgave van de mensen met een grootmoedig gebaar
ontvangt.
Maar niet altijd worden in de muziek dergelijke harmonische sociale
relaties afgebeeld. De nadruk kan ook liggen op het conflict of op het gebrek aan samenhang. In de muziek
wordt dat dan weergegeven door tegenstellingen op bovenstaande procedés.
Beschrijven we hoe de samenhang parameter per parameter kan worden
verstoord. In plaats van gelijkaardige melodieën (in unisono, parallel
of canonisch) kunnen ook tegengestelde of uiteenlopende stemmen met
elkaar worden gecombineerd (exemplarisch bij Schumann, waar ze
conflicterende delen van éénzelfde
persoonlijkheid weergeven). De heterogeniteit kan worden versterkt door
¨de stemmen te laten zingen in een verschillende toonaard (denk aan Petroesjka
van Stravinsky) en/of op conflicterend ritmes in uiteenlopende maat
(denk aan het eerste van de Orcheststücke van Alban Berg).
In veel hedendaagse muziek wordt de samenhang nog meer verbroken
en verlopen de (flarden van) stemmen geheel asynchroon in een atonale
ruimte - denk aan de 'Aventures' van Ligeti.
Muziek die in wezen een combinatie is van actieve en contemplatieve mimesis,
kan dus contemplatief zowel actieve mimesis uitbeelden, als de
afwezigheid daarvan.
NIEUWE ORIGINELEN (3): DE MUZIKALE RUIMTE
Uit de voorbeelden hierboven blijkt duidelijk dat in de muzikale ruimte 'bij elkaar komen'
of 'ij elkaar zijn' geen kwestie is van een reële beweging of een
reële positie in de reële ruimte, maar
gewoonweg van zich letterlijk of complementair, homofoon of contrapuntish af
te stemmen op elkaar. En dat maakt er ons attent op dat de muzikale
ruimte zo haar eigen kenmerken heeft.
1. Eendimensionaal
Om te beginnen is de muzikale ruimte in wezen eendimensionaal: ze is georganiseerd op de verticale as tussen de polen hoog en diep,
en wel volgens een logica die geheel verschilt van die van de werkelijke
wereld: wat hoog klinkt, bevindt zich ook in de hoogte en
wat laag klinkt, bevindt zich in de diepte. In de werkelijke wereld
daarentegen nemen de geluiden de
plaats in die hun door de visuele gedaante wordt toegewezen. In de
werkelijke ruimte kan het gedreun van bommenwerpers of het gebulder van
donder in de hemel weerklinken, terwijl het ijle sjirpen van krekels
zich op de bodem te horen is. In muzikale ruimte is dat onmogelijk
Door dergelijke organisatie in de hoogte en de diepte verschilt de
muzikale ruimte principieel van de werkelijke hoorbare wereld die
zich vooral in de twee dimensies van het horizontale vlak uitbreidt:
links en rechts, voor en achter. Alleen bij vrij uitzonderlijke
auditieve landschappen zoals het fluiten van vogels in een woud of van
vogels in een zwerm, of bij onweer, horen we geluiden boven ons hoofd
(en zelfs dan: alleen wat boven ons hoofd is horen we als boven. De
donder in de verte horen we op één van de coördinaten van de horizontale
ruimte. Dat komt omdat we er ons van weg of naartoe moeten bewegen.).
Onder ons is al helemaal nooit iets te horen (tenzij dan misschien het
gerommel van een vulkaan?).
Dat wil niet zeggen dat de muzikale ruimte
zich niet uitbreidt in de breedte of in de diepte: geluiden worden niet
ervaren als punten in de ruimte, maar als iets wat in de ruimte
uitstraalt. Maar dan wel vanuit een soort centrale positie die zich uitbreidt naar
links naar rechts en naar voor en naar achter: het is onmogelijk om zich
in de muzikale ruimte links of rechts te bevinden, voor of achter.
Dat neemt niet weg dat vooral bij aanleunen bij werkelijke visuele
voorstellingen met de bijbehorende gewone auditieve verschijning, de
muzikale ruimte enigszins lijkt te imploderen in de horizontale dimensies
die zo typisch zijn voor de gewone auditieve ruimte. (al bij stappen,
zoals hierboven beschreven). Verschillen tussen hoog en laag kunnen
dan worden gebruikt om links of
rechts, voor of achter aan te geven. Ook verschillen in klanksterkte
kunnen worden gebruikt om echo aan te geven, of dichterbijkomen of of zich
verwijderen. De expansie in het horizontale vlak wordt in de hand gewerkt als de
stemmen in de verschillende lagen elkaar in snel tempo beginnen te
echoën: het ‘hoog en laag’ wordt dan ongemerkt tot een ‘her en der’
zoals op de woorden ‘mille, mille’ in ‘Hor ch’el ciel’ uit het achtste madrigaalboek van Monteverdi. Het is alsof de verticale as naar achteren wentelt zodat de lagen geleidelijk in coulissen veranderen. Eenzelfde effect wordt verkregen als één stem muzikaal op de voorgrond komt te staan, zoals wanneer de klagende nimf haar begeleiders naar de ondergrond/achtergrond verwijst in Monteverdi’s ‘Lamento de la Nimfa’. De verticale as wentelt dan niet langer naar achteren, maar naar voren: de hoger gesitueerde melodie wordt als ‘voorgrond’ gelezen en de samenklinkende diepere lagen als ‘achtergrond’. De muzikale ruimte heeft niet alleen een voorgrond en een achtergrond, ook in de breedte kan ze zich ontdubbelen zodra binnen één laag meerdere stemmen weerklinken, zoals in ‘Les oiseaux de l’arbre de vie’ uit ‘Eclairs sur l’au delà’ van Messiaen. Beide bewegingen samen vind je verenigd in de bekende nabootsing van de scènes op de markt van Jannequin, of de vele madrigalen waarin het symbolische of reële strijdgewoel wordt opgeroepen. Merken
we wel op dat deze plaatsen niet overeenkomen met de plaats die de
werkelijke instrumenten innemen: de alt uit het Mitternachtslied bevindt zich niet langer voor de hoorns zoals op het podium in de concertzaal: in de muzikale ruimte zingt ze ons toe vanuit een verte dieper en hoger dan de hoorns.
(Inwerken: In het laatste deel van de tweede pianosonate van Chopin
lijkt de verticale as van de ruimte eerder naar achter te kantelen en tot vlak te worden waarover de beweging
kriskras van links naar rechts en van voor naar achter verloopt. Maar al lezen we de beweging eerder in het horizontale vlak, we krijgen geen nauwkeurige aanduidingen over de precieze richting: we hebben alleen de indruk van een her en der. (Ook
de hommel)
Ten slotte begint de verticale dimensie in de muzikale ruimte niet op de
hoogte waarop wij ons bevinden: het aardoppervlak waarop we staan. Het
dieptepunt van de muzikale ruimte ligt ver onder ons. De muzikale ruimte
is dan ook geen halve sfeer over een plat
aardoppervlak, maar een volledige sfeer. De muzikale wezens staan dus niet op de grond,
maar zweven gewichtloos in de muzikale ruimte. Daarom
is het altijd zo'n pijnlijk spektakel als balletdansers almaar opnieuw
pogingen zich aan de zwaartekracht te onttrekken, alleen maar om telkens
opnieuw te moeten vaststellen hoezeer ze eraan zijn onderworpen.
2. Gelaagd
De muzikale ruimte is niet alleen in wezen ééndimensionaal, ze is ook
gelaagd. Ze is ingedeeld
in zeven octaven die als evenveel registers worden ervaren. Binnen elk
register zijn er de evenzeer duidelijk te onderscheiden verschillen in
hoogte van de twaalf tonen.
Dat de muzikale ruimte is ingedeeld in registers, komt omdat de menselijke stem niet het gehele spectrum
van de acht octaven bestrijkt, maar zich eerder binnen een beperkte tessituur ontplooit: het register. Het hoge register is daarbij
voorbehouden aan kinderen en vrouwen, het lagere aan volwassen mannen.
Beweging beperkt zich dan meestal (van nature) binnen dit register. Instrumenten
kunnen een breder registers bestrijken, en vermits ze evenzeer als
enkelvoudige wezens worden begrepen, kan hier een beweging van de hoogste
naar de laagste positie in de muzikale ruimte worden gesuggereerd. Toch
heeft de weergave van beweging in de muzikale ruimte door instrumenten
de neiging om de tessituur kunstmatig te beperken (denk aan het
speermotief van Wagner).
Voorbeelden van gelaagde ruimtes:
-
Les mains de l'abime Messiaen: waar drie (op hetzelfde orgel, maar met
onderscheiden kleuren) zich in drie lagen organiseren: hoog, diep en
middenin.
- Hostias (met duidelijk beweging naar voren)
- 'Stasimo secondo'
Alleen de gedeseksualiseerde instrumenten lijken aan dit lot te ontsnappen, zeker als ze een ruimer register bestrijken dan de menselijke stem (zoals de viool), laat staan als ze de gehele muzikale ruimte kunnen doorlopen (zoals de piano).
In het reeds vermelde laatste deel van de tweede pianosonate van Chopin, horen we de noten in een grillig parcours van hoog naar laag op en neer fladderen over het gehele klavier. Maar net zoals in Mahlers Adagietto hebben we niet zozeer de indruk van laag te veranderen: eerder lijkt het register waarin de beweging plaatsgrijpt danig verwijd.
In deze voorbeelden hebben we te maken met een niet-gelaagde,
monolithische ruimte, zoals de echte.
3; Statisch: geen beweging
De eigenaard van de structuur van de muzikale ruimte heeft zo zijn
gevolgen voor het weergeven van beweging.
Wijzen we eerst op een wezenlijk verschil tussen muzikale nabootsing en
gewone auditieve nabootsing. Als bij gewone auditieve nabootsing een
bommenwerper omhoog gaat, dan wordt de klank van de motoren niet ijler.
De hommel van ...;daarentegen maakt hogere of lagere geluiden
naargelang van waar hij zich bevindt.
Op de verticale as is het niet zo eenvoudig om van plaats te veranderen:
met verandering van laag dreigen de wezens ook van aard te zullen
veranderen. Alleen instrumenten die het gehele spectrum van hoog naar
laag bestrijken kunnen bewegingen binnen een 'verwijde' tessituur
weergeven.
Dat betekent niet dat de wezens in de verschillen lagen van de ruimte
elkaar niet kunnen vinden. Wel integendeel: muziek is bij uitstek het
medium van het samenhorigheidsgevoel. En dan komt in de eerste plaats
omdat muzikale wezens hun samenzijn uitrukken door met elkaar mee te
trillen. Dat kan unisono of in parallelle intervallen binnen hetzelfde
register, of door samen te zingen in akkoorden tussen verschillende
registers en door tijdelijke identiteit (zie sociale relaties, alwaar
ook de echo moet ingetankt).
Weergave in de horizontale dimensie is wat tegendraads: crescendo en
decrescendo wordt niet zozeer als naderen of verwijderen gelezen, maar
als intenser worden of afzwakken. Bovendien kan de gekantelde verticale
as alleen maar ofwel links rechts ofwel voor achter weergeven, maar niet
beide samen. Zoals in Chopin.
.
MENGVORMEN (ALGEMEEN)
Studies naar de relatie tussen muziek en mimesis gaan heel vaak de mist in omdat ze
onvoldoende onderscheid maken tussen auditieve werkelijkheid, auditieve design, gewone auditieve
mimesis en muzikale mimesis. De verwarringen tussen al deze domeinen worden in de
hand gewerkt doordat er vele mengvormen zijn, niet alleen tussen deze
vier soorten auditieve verschijnselen, maar ook met visuele mimesis en
literatuur. Geven we daarom een
systematisch overzicht.
MENGVORMEN (1) MUZIEK EN TENTOONGESTELDE GELUIDEN
Er is om te beginnen de combinatie van muziek met tentoongestelde
(auditieve) werkelijkheid. We vinden voorbeelden daarvan in het
kanonnengebulder en klokkengelui in de 'Ouverture Solennelle' (1812) van
Peter
Tsjaikovski; in het geloei van sirenes, het rinkelen van elektrische
bellen en het zoeven van propellers in het
'Ballet méchanique'
Georges Antheil(1924); in het geloei van stofzuigers in 'Fluxus-Symphonie
für 50 Hover-Staubsauger' van Wolf Vostell, het getik van
metronomen in het 'Poème symphonique’
voor 100 metronomen
Györgi Ligeti, en de zang van vogels in de 'Cantus
Arcticus' van Rautaara.
MENGVORMEN (2) MUZIEK EN GEWONE AUDITIEVE MIMESIS
Er zijn vele soorten combinaties tussen muziek en gewone auditieve mimesis.
Er zijn om te beginnen de mengvormen van muziek met opgenomen of
realistisch nagebootste geluiden: van de klokken in 'In a Monastery Garden
' van Ketelby (1915), over de vogels en de klokken in de 'Fontane di Roma'
van Respighi tot de fluitende vogels in het 'Cantus Arcticus' van Rautavaara,
s of de toespraak van Martin Luther Kind in Claude Viviers 'Wo bist du Licht'
(1981).
Sedert het Futurisme krijgen we ook de nabootsing van minder welluidende
geluiden zoals het hijgen en de kreten in de Aventures van Györgi
Ligeti. Tot deze eerste categorie behoren ook de voorbeelden van
nabootsingen van muziek die in gewone muziek zijn ingelast: van de 'Leiermann'
uit de 'Winterreise' van Schubert, over de zingende pelgrims in Tannhäuser,
de zingende monniken in 'In a monastery garden' van Ketelby tot de
kermisgeluiden in de Petroesjka van Stravinsky. En ten slotte zijn er
ook de geluiden die afkomstig zijn van imaginaire wezens en dito processen
die zoals in de 'Kontakte' van Stockhausen worden gecombineerd met
muziek geproduceerd op muziekinstrumenten.
Vervolgens zijn er de vele voorbeelden waar de nabootsing niet altijd 'letterlijk'
is:
in vele gevallen dient de werkelijkheid slechts als
model.
Al in de voorbeelden hierboven worden in nabootsingen van muziek de
instrumenten vaak vervangen door andere, zoals wanneer in de Leiermann
van Schubert de draailier wordt vervangen door een piano. Maar vooral niet-muzikale
geluiden worden vaak meer muzikaal gemaakt. De meest voor de hand
liggende verandering is het ritmisch ordenen van hun verloop zodat de
nabootsing moeiteloos kan worden inpast in de maat van de muziek: denken
we aan het 'Duetto buffo per due gattina'
van Giacomo Rossini, aan de vele voorbeelden van lachen op maat maar
zonder vaste toonhoogte, aan de zingende honden in 'Lady en de Vagebond' van Walt Disney.
De muzikalisering gaat verder als de geluiden ook nog worden omgezet in
discrete tonen met vaste toonhoogte die behoren tot een tonaal stelsel:
denk aan het lachen in Purcells 'Dido en Aeneas', de donder op de pauken
in de Pastorale van Beethoven, het zoemen in 'De vlucht van de
hommel' van Nikolaj Rimski-Korsakov. Op de stilering van spreken tot
zingen komen we hieronder terug. Vogels
zingen ook in de werkelijkheid op vaste toonhoogtes, zodat hun zang
alleen ritmisch moet worden
ingepast in de maat van de muziek: denk aan de koekoek in Pastorale van
Beethoven, de vogels in het 'Waldweben' uit de Siegfried van Wagner, en
de vogels uit ‘Les oiseaux de l’arbre de vie’ form ‘Visions de l’au delà’
van Messiaen. Hetzelfde geldt voor diverse signalen (militaire signalen,
of de claxons in 'De blauwe mandarijn' van Bela Bartok of
in Charles Mingus "A Foggy Day in London Town') en de diverse verbale
kreten van de mens (strijdkreten, alarmkreten, kreten van marskramers
die zeer geliefd waren in de tijd van de madrigalen, denk aan Jannequin).
Een merkwaardig tussengeval is de gewone (al dan niet gestileerde)
auditieve nabootsing van geluiden die ook in het gewone leven als
mimetische impulsen worden ervaren: de geluiden van machines in de 'Staalfabriek' van Alexander Mosolov,
en de geluiden van een trein zoals in 'Pacific 231' van Arthur Honegger.
Uit al deze voorbeelden blijkt overduidelijk dat, zelfs bij gestileerde weergave, de aanwezigheid van gewone
auditieve mimesis een Fremdkörper blijft in de muziek, en dat stelt
haar
mysterieuze eigenaard des te scherper in het daglicht. Daarom
wordt er een afzonderlijke naam voor gegeven: schilderende muziek,
programmamuziek.
Herinneren we er met nadruk aan dat dergelijke gewone nabootsing van geluiden
niet over één kam mag worden geschoren met pogingen om
(geluidloze) natuurverschijnselen op te roepen door ze te om te vormen tot wezens die
mimetische impulsen uitzenden (zie
voorbeelden hierboven).
MENGVORMEN (3): MUZIEK EN TENTOONGESTELDE VISUELE
WERKELIJKHEID (DANS)
.
Bij dansmuziek proberen de dansers een
visuele verschijning te voegen bij de auditieve verschijning (van de
wil) in
de muziek. Dat is niet zo'n probleem als het gaat om speciaal daarvoor
geschreven muziek. Meestal is de bewegingsmelodie dan heel rudimentair
of helemaal afwezig, en de nadruk ligt op toonloos slagwerk. Hoezeer de
muziek ook moge gedacht zijn op maat van de bewegingen van de dansers,
altijd blijft er een incongruentie bestaan tussen de visuele en de
auditieve dimensie. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de vele
bijzondere invullingen door de dansers aardig van elkaar kunnen
verschillen zowel naar aard van de bewegingen als naar volledigheid van
de invulling van de muzikale impulsen.
Merken we op dat hier ook de combinatie thuishoort van muziek met de
reële visuele verschijning van de muzikanten in het orkest.
Muzikanten die,de
expressies leveren bij de muziek die ze spelen behoren, net zoals
balletdansers, tot de combinatie van visuele met auditieve nabootsing.
Een voorbeeld van combinatie van muziek met visuele design is de
geliefde combinatie van muziek met architectuur - denk aan het Philips
paviljoen met muziek van Xenakis.
MENGVORMEN (4): MUZIEK EN STOMME BEWEGENDE VISUELE NABOOTSING
(BALLET)
Men kan ook de bewegingen van imaginaire wezens visueel proberen in te
vullen.
Dat doen al vele muzikanten als ze proberen de expressies te vertonen
van het wezen dat ze muzikaal oproepen. Ze zijn daarbij gehinderd
doordat een aantal onderdelen van hun lichaam in beslag worden genomen
door de bewegingen die ze moeten maken om de muziek te produceren.
Dat geldt ook als de muzikanten overgaan tot het uitvoeren van
pantomimische voorstellingen, zoals in het muziektheater van Kagel.
Veel vruchtbaarder is het dan ook deze taak aan acteurs over te laten.
We krijgen dan te maken met ballet. Deze combinatie is veel
problematischer dan die van gewone dansmuziek met echte dans. Al is
speciaal daarvoor geschreven muziek gemaakt op maat van het menselijk lichaam met
zijn diverse expressieve bewegingssystemen, de balletdansers
zijn vaak niet in
staat om de
mimetische impulsen adequaat uit te voeren: ze hebben een lichaam dat
aan de zwaartekracht is onderworpen en kunnen zich alleen maar in de
twee dimensies van het horizontale vlak kunnen bewegen, terwijl de
muzikale ruimte zich in de verticale dimensie ontplooit. We
zien balletdansers dan ook steeds maar verwoede pogingen ondernemen om
zich boven de grond te verheffen alleen maar om uiteindelijk weer op de
grond terecht te komen. Al hebben ze, anders dan muzikanten, de handen
vrij, ze moeten zich evenzeer beperken
tot een gedeeltelijke uitvoering van de door de muziek gedicteerde
beweging. Dat geldt nog meer voor de min of meer abstracte visuele
vormen die bewegen op muziek (Oskar Schlemmer, Bauhaus).
Vanwege deze incongruentie komt er geen echte,
vanzelfsprekende integratie tot stand tussen de visuele en de auditieve
dimensie, zoals dat wel het geval is bij combinatie gewone
auditieve mimesis met de visuele dimensie. De muziek blijft als eigengereide monosensoriële wereld
opgaan in al haar autonomie, zodat de visuele dimensie
wordt ervaren als een soort van min of meer
volledige (en vaak ook min of meer willekeurige) bijkomende, facultatieve
invulling.
Een elegante oplossing bestaat erin om een soort visueel
contrapunt te maken bij de auditieve bewegingen die worden gedicteerd
door de muziek, zoals bij de Keersmaecker, of om 'het verhaal' bij de
'stemming' leveren (omgekeerd als bij film).
MENGVORMEN (5): TONEEL EN FILM
Dans en ballet combineren wel de auditieve en de visuele dimensie, maar
in de auditieve dimensie ontbreekt nog het woord. Als ook dat nog wordt
nagebootst, krijgen we theater (driedimensionale visuele nabootsing) en de film
(tweedimensionale nabootsing).
In het theater hebben we in eerste instantie te maken met een combinatie
van gewone auditieve mimesis van de dialoog van de personages en de
visuele nabootsing van hun expressie, gebaren en houdingen, evenals van
het decor. In de regel
omvat de gewone auditieve mimesis ook nog de nabootsing van allerlei
geluiden (voetstappen, donder enz.). Vaak wordt er ook muziek ingelast.
In de stomme film krijgen we in eerste instantie te maken met de visuele
nabootsing (verfilming) van acteurs die zelf weer de visuele
verschijning van hun personages nabootsen, eventueel aangevuld met de
nabootsing van (al dan niet zelf weer nagebootste decors). Deze visuele
nabootsing werd in de regel begeleid met muziek (inclusief primitieve sonoriseringen van bewegingen
zoals het spelen van een glissando op piano als iemand uitglijdt)
evenals met klanknabootsing (van stoomfluiten, de claxons van auto's
enz.). Ook hier krijgen dus menging van gewone met
muzikale auditieve mimesis én van de combinatie van deze menging met visuele mimesis
Sedert de uitvinding van de geluidsopname worden in de film in de eerste
plaats de dialogen nagebootst (opgenomen). Maar ook natuurlijke geluiden
kom in aanmerking: voetstappen, motorengeronk, klappen van deuren enz.
Toch blijft men ook hier muziek inlassen en al dan niet combineren met
gewone auditieve nabootsing (opname van geluidsstappen op spannende
muziek, of dialoog op muzikale achtergrond). Hier komt pas goed de
dubbelheid van auditieve mimesis tot uiting: voetstappen geven de gewone
auditieve verschijning (verbonden met visueel lichaam), de muziek geeft
de 'innerlijke betekenis' - of de emotionele reactie van de
toeschouwer).
MENGVORMEN (5) MUZIEK MET
LITERATUUR: LIED, RECITATIEF
Door de overdracht van stem naar instrumenten, voltrekt zich de
scheiding tussen muziek en taal. Bij de
overdracht van spraakmelodie op bewegingsmelodie worden woorden
vaak vervangen door loze kreten zoals 'heiho'. Dat is al meer het geval
als de melodie wordt gebruikt om expressieve bewegingen te dicteren bij
de dans: we zien dan evenzeer loze kreten opduiken als 'yeah yeah', 'heybaberiba', enz. Maar de bevrijding wordt pas goed een feit als de melodie op
instrumenten wordt gespeeld, waarbij de vele medeklinkers worden
vervangen door een beperkt aantal soorten aanslagen (aanzetten) en de
klinkers door een beperkt aantal variaties op het basistimbre van het
instrument.
Ook hier is er een omgekeerde beweging. Mensen hebben de onuitroeibare neiging om
mee te zingen met instrumentaal gespeelde melodieën. Ze
behelpen zich daarbij vaak met loze klanken zoals 'mmmmm' 'aaaaa' of 'lalala'.
Die neiging om woorden te gebruiken wordt onbedwingbaar als de stem van
meet af aan als instrument wordt gebruikt:
het spraakorgaan is het gewoon om woorden uit te spreken en verzet zich
tegen de instrumentalisering die neerkomt op de reductie van veelvormige
lettergrepen tot
uniforme aanzetten (aanslagen) en één enkel timbre. Er zijn dan verschillende mogelijkheden:
- Ofwel zijn het woorden die aanzetten tot dansen ('Let's dance') of tot een bepaalde manier
van dansen ('I'll rock you), of woorden die de innerlijke gesteldheid
(de bedoeling) van de dansers uitdrukken (Ik wil je, kom bij me, ...) of die bijkomende informatie geven (YMCA). De woorden zijn dan reële - niet-mimetische - impulsen voor de bewegingen van evenzeer reële
- niet-mimetische - dansers, dansers die niemand anders pretenderen te zijn,
maar alleen zichzelf opvoeren.
Dergelijke woorden zijn vergelijkbaar met het 'Links! Rechts!' van de
sergeant.
- Ofwel zijn het woorden die zouden kunnen worden uitgesproken door
iemand die voelt wat de muziek uitdrukt: 'Ich liebe dich' (vaak
vergezeld van al dan niet gestileerde vocale expressies: Ach! Ich fühl
es'). In dat geval
hebben we te maken met woorden die behoren bij het personage dat door de
zanger wordt opgevoerd. De gewone (maar zoals beschreven gestileerde) auditieve nabootsing van diens woorden
(zoals bij de acteur) wordt dan verdicht met de muzikale nabootsing van zijn
gesteldheid (lied, aria, maar ook: Ich Schlief. Die Welt is Tief.....)
De zanger voert in de eerste plaats de auditieve verschijning op van een
imaginair personage. Maar net zoals een gewone instrumentalist, kan hij
ook proberen de visuele verschijning van zijn personage bij de auditieve
te voegen,
net zoals de balletdanser. Dat maakt de combinatie van muziek met
literatuur nog
problematischer.
Problematisch is in de eerste plaats voor de combinatie van visuele en
auditieve verschijning. Terwijl in
het ballet de dansers niet ook nog muziek maken, zijn bij de zanger de
auditieve en de visuele verschijning verenigd in één en dezelfde persoon. Daarin gelijkt de
zanger meer op de instrumentalist dan op de acteur. Zijn vermogen om een
visuele verschijning te leveren is beperkt doordat de pure
daad van het zingen de mond en het aangezicht in beslag neemt. Dat
bemoeilijkt de uitvoering van visuele expressies - het valt niet mee om te glimlachen als
je
zingt. Wat erger is: de bewegingen die behoren bij zingen zijn zelf
vaak (onderdelen van) expressieve houdingen, gebaren of expressies, en
die zijn niet altijd in overeenstemming
met de bijbehorende visuele expressie. Ook hier blijft de zang zich
daarom verzetten tegen zijn integratie in de visuele verschijning, die
ook hier slechts een min of meer bijkomstige en slechts partiële
invulling blijkt te zijn. Dat leidt tot de
merkwaardige situatie dat de poging om de auditieve verschijning met de
visuele te combineren eerder leidt tot een versterkte opgang van de monosensoriële wereld van de muziek dan tot een integratie ervan met de
visuele verschijning. Eerder redt de visuele verschijning van de zanger
de monosensorialiteit van de muziek: ze verhindert dat we ons een
visuele voorstelling proberen te vormen bij de stem die het Mitternachtslied van
Mahler zingt. Zouden we ons toch zo'n voorstelling maken, dan zouden we
eerder een soort reuzengrote 'sibille' zien verschijnen die de 'Mitternacht'
belichaamt en spreekt/zingt tijdens haar ontwaken.
Naast de combinatie met de visuele dimensie, worden ook
nog twee soorten auditieve mimesis
met elkaar verdicht: het spreken van de acteur en de absolute
muziek van zijn 'zingen'. Dat levert de nodige problemen op. De muzikale melodie
valt niet noodzakelijk samen
met de spraakmelodie die bij de gezongen woorden zou horen: beide
gehoorzamen aan een eigen logica. De woorden krijgen niet altijd het
accent waar ze om vragen. Bovendien valt het aantal lettergrepen niet
altijd samen met het aantal tonen waar de muzikale melodie om vraagt. De
lettergrepen moeten dan worden verlengd (melismen zoals He-erze-e-leid) of verdubbeld (Tief,
tief). Het meest opvallende gevolg daarvan is dat de verbale expressies - de gezongen woorden -
vaak niet of nauwelijks
verstaanbaar zijn (of, als de nadruk ligt op het gesproken woord, dat de melodie
vaak niet melodieus is, zoals bij rappers). (vergelijken met
klanknabootsing als mending van taal met gewone auditieve mimesis).
- Ofwel zijn het, ten slotte, woorden die een situatie beschrijven of een verhaal
vertellen (voorstellingopwekkende tekens). (Eine
Krähe ist mit mir....)(Alle Menschen werden Brüder van Beethoven).(Goede voorbeelden
zijn de Altrhapsodie van Brahms en 'Abendroth' van Richard Strauss). In dat geval worden
worden twee andere soorten mimesis met elkaar gemengd: de onmiddellijke
mimesis van de muziek en de middellijke van de literatuur. Ditmaal krijgen
we een combinatie van muzikanten met een verteller, die ook de inhoud
van zijn tekst wil mimeren of in zijn dictie tot uitdrukking wil brengen.
Net zoals bij een verteller, kijken we over de verschijning
van de zingende verteller heen, om ons te concentreren op de
voorstellingen die hij oproept. Die voorstellingen werken dan in op wat
in de muziek onmiddellijk is te horen. Zo weten we door de woorden uit
'Die Krähe' welke vogel er vliegt en wie er waarheen aan het stappen is.
Bij de combinatie van verhalen tekst met muziek worden de conflicten
tussen verbale taal en muziek sterker. De kans is groter dat er een
spanning ontstaat tussen de discursieve aard van de tekst en de
onmiddellijkheid van de muziek. Muziek geeft een algemeen klimaat weer
dat past bij de gehele zin, de gehele strofe, het gehele gedicht of de
gehele tekst, terwijl de tekst eerst het verhaal moet vertellen dat bij
deze stemming hoort. Muziek komt dan vaak in de verleiding om op locale
punten van dit lineaire verhaal in te gaan, waardoor dan weer de
omvattende atmosfeer in het gedrang komt (vaak in madrigalen). Ook hier
komt de zanger bovendien in de verleiding om zelf uit te beelden wat hij
oproept: een uitdrukking van ontzetting op zijn gezicht als hij iets
verschrikkelijks beschrijft. Dat levert dezelfde problemen op als bij de
combinatie van zanger met toneelspeler
Muziek en tekst moeten niet altijd in elkaars verlengde liggen. Ze
kunnen ook tegengesteld zijn. (zoals met 'J'ai perdu mon Euridice).
Deze analyse maakt meteen duidelijk dat zang geen verhoogde vorm van
spreken is, noch in het geval van woorden die onmiddellijke mimesis van
de verbale uitingen van het opgeroepen personage zijn, noch in het geval
van woorden die middellijk voorstellingen oproepen, (zoals zovelen
ons sedert Monteverdi willen laten geloven, o.m. Rousseau in 'Essay sur
l'Origine des langues). Wat niet wegneemt dat men dat kan nastreven.
MENGVORMEN (6) MUZIEK, LITERATUUR EN BEWEGENDE VISUELE NABOOTSING: OPERA
Er is ook een tegengestelde beweging: het opdrijven van de inspanningen om de visuele dimensie tot haar volle
recht te laten komen. Dat kan best door de zangers te laten dialogeren
met andere zangers, ze van volwaardige kostuums te voorzien, en het
gehele gebeuren te plaatsen in een decor, een nagebootste omgeving
waaruit alle instrumenten worden gebannen. De zangers worden dan echte acteurs die zich
verhouden tot andere acteurs binnen een nagebootste omgeving. Madrigaal,
lied of oratorium worden zodoende tot opera.
Dergelijk benadrukken van de visuele nabootsing lost de problemen niet
op, maar voert ze integendeel ten top. Dat de zangers
nu proberen
acteurs te zijn in de volle zin van het woord te zijn, maakt pas goed
duidelijk dat de verbale inhoud van wat ze zingen, helemaal niet
beantwoordt aan wat hun visuele verschijning te zien geeft. Als Isolde
niet langer een zangeres is die tussen de instrumenten van een
orkest staat opgesteld, zoals de (auditieve verschijning van de) 'sibille' in Mahlers Mitternachtslied, maar een actrice die is gekleed als een minnares en
zich als zodanig gedraagt, valt pas goed op dat ze quasi bewegingloos op de
grond ligt en niet zwevend opgaat in 'dem Wogenden Schwall' waar de
woorden van haar zang oproepen en die zijn auditieve verschijning krijgt
in de muziek die ze zingt. Dat
conflict noopt ons met des te meer aandrang om onze ogen te sluiten en ons door de
concrete opvoering heen weer terug te trekken in de monosensoriële
wereld van de muziek. Omgekeerd zijn er dan weer passages waar de
handeling op de scène de aandacht wegdraagt, terwijl de muziek op de
achtergrond verdwijnt, zoals in de film.
MUZIEK EN MIMETISCH TABOE
We hopen in het bovenstaande te hebben aangetoond dat muziek wel
degelijk mimesis is, en dat ze als zodanig duidelijk moet worden
onderscheiden van gewone auditieve mimesis.
Maar we kunnen ons onderwerp niet zomaar verlaten zonder te verklaren
hoe het komt dat het zo moeilijk is om te begrijpen of te aanvaarden dat
muziek mimetisch is, of, waarom, omgekeerd, de gedachte dat muziek
niet-mimetisch was zo gemakkelijk ingang kon vinden. Sommen we nog even
alle hinderpalen op.
Een eerste hinderpaal is een wijdverbreid onvermogen om een duidelijk
onderscheid te maken tussen esthetische ervaringen die uitgaan van de
werkelijkheid zelf, door mensen gemaakte werkelijke producten en nabootsingen. Dit onvermogen ligt aan de basis van de aloude misvatting
dat architectuur tot de kunsten behoort. Het werd alleen maar versterkt
door de ontwikkelingen in de plastische kunsten die de grenzen tussen
kunst, mimesis en werkelijkheid programmatisch wilde opheffen.
Een tweede hinderpaal is dat er twee soorten auditieve mimesis zijn:
gewone auditieve mimesis en muzikale mimesis. Het ligt dan voor de hand
om gewone auditieve mimesis, net zoals fotografie, af te doen als
(slaafse) nabootsing en dan van muziek, net zoals van de schilderkunst,
te beweren dat ze geen nabootsing is.
Bij onze poging om aan te tonen dat muziek wel degelijk mimesis is,
stuiten we op een derde hinderpaal. We zijn er ons weinig van bewust dat de mens naast
auditieve expressies, spreken en de geluiden
die hij maakt bij beweging en arbeid, ook nog een andere auditieve
verschijning heeft: de mimetische impulsen die produceert. Geen wonder,
we treffen ze alleen bij de mens aan, en ook bij de mens zijn ze slechts latent in de
taal aanwezig. Ze worden pas als zodanig hoorbaar als ze via instrumenten uit
de menselijke verschijning worden losgeweekt en zodoende meteen de
verschijningswijze worden van imaginaire wezen. Het is alsof er visuele expressies (en bijbehorende
wezens) zouden bestaan die pas door de schilderkunst zouden worden
uitgevonden.
De laatste, en wellicht sterkste hinderpaal is, dat de voltooide muziek
een monosensoriële wereld schept. Zo'n wereld druist danig in tegen de fundamentele structuren van onze
zintuiglijkheid: het valt ons moeilijk het bestaan van
'sonore lichamen' aan te nemen, van wezens die geluid maken, maar toch niet zichtbaar zijn (zelf
bij de wind stellen we ons een blazer voor en bij de donder een razende
god). Daar komt bij
dat we ons wel ledematen kunnen voorstellen die geluid maken, ja zelfs
organen die klinken zoals de menselijke stem, maar helemaal geen wezens
die als zodanig klinken (denk aan de golven in Tristan en Isolde). Daar
komt bij dat de neiging om een visuele invulling te geven aan de muziek
in de hand wordt gewerkt doordat de een lagere vorm van muziek, de
dans(- en arbeids)muziek wel degelijk wordt gemaakt met het oog op het
opwekken van bewegingen van concrete - menselijke - lichamen in de
visuele wereld (met zwaartekracht enz.).
Ten slotte het verschijnsel van sympathische mimesis die ons de muziek
doet begrijpen als een expressie van de gevoelens van de uitvoerder.
Daar komt bij dat
muzikale tonen zijn af te leiden uit eenvoudige wiskundige verhoudingen.
Dat werkt alleen maar de neiging om ze te beschouwen als een puur
formele (abstracte) aangelegenheid. Zo'n voorstelling kwam de antimimetische
schilderkunst goed van pas. Daardoor werd de mythe verder gekweekt.
Anders dan in de plastische kunsten, heeft deze misvatting merkwaardig
genoeg niet zo'n ravage aangericht in de muziek. De verklaring daarvoor
is dat muzikale tonen op zich willens nillens worden
ervaren als mimetische impulsen. Het is dus onmogelijk om abstracte
muziek te maken: zoals de ontwikkelingen in de vijftiger jaren aantonen,
worden zelf puur mathematisch opgezette constructies mimetisch gelezen -
zolang het maar constructies zijn met tonen uit een tonaal stelsel. Het
is zelfs heel moeilijk om met muzikale tonen een architecturaal
landschap maken, omdat de lokalisering van de klank in de ruimte wordt
tegengewerkt door de neiging om tonen te ordenen op de verticale as van
de muzikale ruimte.
Daar komt bij dat de avant-gardistische geest die zich bij de
componisten tegen de muziek keerde eerder heeft geleid tot een
versterking van de - zij het dan niet-muzikale, gewone auditieve -
mimesis, die toch als muziek werd begrepen. Ook hier is dit niet
terecht, maar alleen in de zin dat geluidskunst niet langer muziek is,
maar een andere, nog ontgonnen vorm van mimesis.
We hopen dat we in deze tekst al deze hinderpalen hebben weggeruimd.
©
Stefan
Beyst,
maart 2006 en oktober 2008

Deze tekst is een systematisch uitgewerkte versie
van wat verspreid of in andere contexten staat uiteengezet in: 'Het onzegbare en het onzichtbare',
'De muzikale ruimte en haar bewoners',
Visuele muziek en in 'Tonen en geluiden: drie soorten soundscape, één muziek'.
Reacties:
beyst.stefan@gmail.com
zie ook:
stefan beyst over hedendaagse kunstenaars
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist
 |
| |
|
|
|
|