Het beeld van een firmament waarin steeds
meer wereldlichamen hun baan beginnen te trekken is correct in die zin,
dat het beantwoordt aan de hypothesen, waarvan de interpretatiecode
gebruik moet maken. De leeuwin die haar leger uit het oog verliest om
het hert te vangen, veronderstelt dat het leger bleef bestaan als ze
ernaar terugkeert om verzadigd in te slapen. Maar dit firmament wordt
niet als zodanig waargenomen. De zintuigen - vooral dan de ogen -
doorlopen over al deze banen een eigen grillig parcours. Elke fragment
van dit parcours wordt gelezen als teken en dus evenmin waargenomen als
de letters van een tekst. Niets belet ons naar de letters van een boek
te kijken als naar letters, maar dan lezen we niet. Als we lezen kijken
we alleen maar over de letters heen. En hetzelfde geldt voor de wereld:
die is geen perspectiefloos spektakel dat door alomtegenwoordige
afstandszintuigen wordt gecontempleerd, maar veeleer een als
meerdimensionaal kruiswoordraadsel neergeschreven tekst, die door onze
ogen vlinderend wordt afgetast.
Door tegen elkaar te gaan spreken, gingen
levende wezens de wereld der verschijningen nog eens uitbreiden met de
zelfgemaakte wereld der talen. Het voordeel van deze ontwikkeling ligt
voor de hand. Een afzonderlijk organisme neemt steeds slechts een
fractie waar van de mogelijk waarneembare tekens. Andere, die wellicht
van levensbelang zijn, worden aan zijn waarneming onttrokken, maar niet
noodzakelijk aan die van een soortgenoot. Indien deze soortgenoot een
teken produceert, waarvan de betekenis zijn waarneming is, dan kunnen
andere organismen via dit teken reageren op een waarneming die ze niet
zelf hadden. Een van de primitiefste voorbeelden daarvan is de
alarmkreet, waardoor de hele groep kan reageren op een kreet, die teken
is voor de waarneming van een roofdier, dat slechts door één organisme
werd opgemerkt. Een bijzonder geval zijn de expressies die soortgenoten
inlichten over toekomstig gedrag (agressie, paringsbereidheid enz.).
Doordat organismen zelf tekens gaan produceren is het net alsof ze het
aantal organismen vermenigvuldigen, en daarmee ook het aantal plaatsen
en tijdstippen vanwaaruit ze de wereld kunnen waarnemen. De menselijke
verbale taal is de grandioze bekroning van deze evolutie.
Het is voor ons onderwerp overigens niet
onbelangrijk erop te wijzen dat de ontwikkeling van deze talen gepaard
gaat met én de voorwaarde is voor samenwerking ook op andere terreinen.
De groep is - net als de taal - een middel om de wereld te laten
afsterven: wie voor mijn bevrediging instaat, legt in mijn plaats mijn
traject af in de wereld der zinnen en ontlast mij daarbij van de taak om
de keten der betekenissen te realiseren. Zo spint het organisme zich met
de wereld van de woorden en met de groep een cocon, waarin het zich
verregaand uit de wereld kan terugtrekken. Er gaapt dus een onoverbrugbare kloof tussen teken en betekenis. Aan deze zijde van de kloof leven is onbevredigend. Velen kunnen dit trauma niet dragen en trachten de kloof te dichten. Omdat dat onmogelijk is, kan uit dit streven alleen het fantasma van de eenheid tussen teken en betekenis ontspruiten. Onze analyse poogde drie versies van dit fantasma op te ruimen. De eerste versie is het fantasma dat wat we waarnemen een ding is en geen verschijning. Wie dingen meent te zien, gelooft dat de betekenissen van de verschijning als waarneming aanwezig zijn en niet als teken. Hij meent hardheid te zien in plaats van glans, of vriendelijkheid in plaats van een glimlach (De zgn. 'synesthesie'. Zie Lukàcs, 1963; Merleau- Ponty, 1945, p. 265; Dufrenne, 1991). Hij gelijkt daarbij op mensen die menen een tafel te zien als ze de letters 'tafel' lezen. De tweede versie is het fantasma dat zich hecht aan het bestaan van het 'gemotiveerde' teken. Een gemotiveerd teken onderscheidt zich van een ongemotiveerd, doordat het er iets gemeen mee heeft. Het probleem is al sedert Plato (Kratylos) aan de orde. In de 18de wordt het geformuleerd als tegenstelling tussen 'artificiële' en 'natuurlijke' (bv. Dubos 1719, p. 162), tussen 'conventionele' en 'natuurlijke' (bv. Rousseau 1765, p. 283) of tussen 'willekeurige' en 'natuurlijke' tekens (bv. Lessing (1766). In de Duitse Romantiek ontspint zich de gehele discussie over allegorie en symbool (zie Todorov, 1977). Sedert Morris (1938) heten gemotiveerde tekens - in de terminologie van Pierce - 'icon' tegenover (index en) 'symbol' (Peirce uit Büchler 1955). Dit begrip maakte in de 20ste eeuw een blitzcarrière. Langer (1942) herformuleert - eveneens met brede aanhang - de tegenstelling als die tussen 'presentational' versus 'discursive symbols' (1959). Ongetwijfeld bestaan er gemotiveerde tekens (bv. een temperatuurcurve, onomatopeeën enz.). Het bestaan ervan zelf wijst al op een poging de kloof tussen teken en betekenis te overbruggen. Tevergeefs: want motivatie maakt het teken nooit tot de betekenis. Wie dat meent houdt er een fantasma op na, en dat is wat gebeurt bij de hierboven vermelde auteurs, zoals later zal blijken bij mijn analyse van mimesis. De uitdrukking 'iconisch teken' - beeldteken - voor deze tekens verwoordt voorbeeldig dit fantasma.
Het derde fantasma tenslotte is de hierboven
al besproken misvatting dat gedachten 'ideeNn' (beelden) zijn en
gedachtestelsels 'wereldbeelden'. Lectuur van auteurs als Locke, (ook)
Berkeley, Hume, zelfs Hegel (zie bv. 1830, & 458), Russell leert dat
gedachten voor hen ook letterlijk 'ideeën' in de zin van beelden zijn.
Vooral in de 20ste eeuw vervagen de grenzen tussen beeld en teken.
Wittgenstein (1920) bv. beschrijft taal als projectie van de wereld en
noemde ze op grond daarvan een 'beeld', terwijl tegelijkertijd sedert
Peirce en Morris de echte beelden begrepen worden als 'iconische'
tekens, zodat ze niet meer te onderscheiden vallen van Wittgensteins
taal als 'projectie'.
Niet elke bevrediging is lust, en de meeste
afwezigheid van bevrediging is onrust, geen onlust. Met gewone
bevrediging is het gesteld zoals met de dood: zolang de honger duurt is
er afwezigheid van bevrediging, en van zodra hij gestild is, is er geen
subject meer om waar te nemen, en valt er overigens niets meer waar te
nemen. Opdat er lust weze, moet een waarneming als zodanig gewenst
worden, en niet fungeren als teken voor een andere waarneming, in een
keten waarvan de laatste schakel uiteindelijk vernietigd moet worden. Dit weerspiegelt zich in het feit dat zintuigen voortaan niet alleen meer functioneren als decodeerders van tekens, maar ook nog als Freuds 'erogene zones'. Sommige zintuigen zijn zelfs vooral met het oog op hun 'erogene functie' geëvolueerd: dat geldt voor bepaalde zones op de huid, de lippen, maar vooral voor de geslachtsorganen, die nauwelijks in staat zijn tot andere waarnemingen dan lustvolle. De menselijke geslachtsorganen zijn wat dat betreft oerzintuig, en de lust die ze waarnemen - het orgasme - hét paradigma van de lust - zij het niet het enige, zoals later zal blijken. Omgekeerd worden sociale partners van allerlei zintuiglijke eigenschappen voorzien die ze geschikt maken om als voorwerp van pure lustwaarneming te dienen: de 'secundaire geslachtskenmerken' voor oog en oor. Bij de contactzintuigen is de hand gevoelig voor borsten, dijen enz. Bij penis en vagina is het prikkelend orgaan ook zelf het geprikkelde (le sentant senti). Ook sociale partners hebben dus verschillende verschijningswijzen. Die zijn echter met elkaar verbonden in een opgang naar de eindlust toe. Men wil de partner horen, zien, om hem ten slotte te naderen en op te gaan in het orgasme. (De relatie tot uiteindelijke ondergang in de slaap laten we in dit artikel buiten beschouwing). Ze verwijzen dus niet naar elkaar om op te gaan in het niets, maar metamorfoseren tot een hoogtepunt. Pas voor 'erogene' zintuigen verschijnt een wereld die werkelijk 'om zichzelfs wille' wordt waargenomen.
De evolutie van de groep als wereld van
soortgenoten, die zich tussen het organisme en de overige wereld
schuift, is dus onverbrekelijk verbonden met het ontstaan van pure
tekens in de wereld der talen enerzijds en pure waarnemingen in de tuin
der lusten anderzijds.
Men zal opwerpen dat dit model te zeer op
maat van de seksuele lust is gesneden. Wat hier beschreven wordt gaat
echter ook op voor de lustvormen die gepaard gaan met de - voor Freud
gedeseksualiseerde - gemeenschapsliefde, waar we op het einde van onze
psychoanalyse van het vertoog over de muziek op terugkomen. Hier
volstaat het erop te wijzen dat de waargenomen wereld niet alleen door
seksuele objecten bevolkt wordt. Als Narcissus zich over het watervlak vooroverbuigt, ziet hij in het duistere water onder zich zijn evenbeeld verschijnen. Dat spiegelbeeld verschilt in niets van het gelaat dat het zou aanschouwen moest het vanuit de diepte der wateren naar boven kijken. Maar het zijn geen tweelingen die elkaar daar aanstaren. Als de Narcissus in de diepte zou willen spreken tot de Narcissus boven het wateroppervlak, zou hij - het uitproestend - merken dat zijn stem uit de mond daarboven kwam, en wanneer die in de hoogte zijn hand zou uitstrekken om het bleke gelaat onder hem te kunnen aanraken, zou hij merken dat ze botst op het wateroppervlak en zijn verschijning in centrifugale kringen doet vervluchtigen. Dit verhaal bevestigt ons in de eerste plaats wat we hierboven beweerden over de waarneming van de wereld. Deze is ons slechts gegeven als puur optische verschijning, die als teken alle andere verschijningen als betekenis in zich draagt. Narcissus voelt geen lichtstralen op zijn netvlies, maar ziet een driedimensionaal gelaat, daar onder zich in de ruimte, met een bleke huid gespannen over een gelaat, waaruit een verterende blik staart en vragende lippen. De hand die naar de verschijning in het water reikt, wil de betekenissen van één van deze vele optische beloften realiseren. Ware het de hand van de nimf Echo die naar de échte Narcissus reikte, dan voelde ze inderdaad de koelte van zijn wang en dan sloot ze, zich voorover neigend, de ogen, zijn beeld inruilend voor de warmte van zijn kus.
Maar het is Narcissus' eigen hand die naar
zijn evenbeeld reikt. En deze hand raakt onverhoeds een wateroppervlak.
In dit harteloze water was alleen maar een optische verschijning te
zien, een verschijning die even zwanger is van tekens als die van de
echte Narcissus, maar die in tegenstelling ermee ontrouw is en haar
beloftes niet inlost. Narcissus trok dan ook zijn lessen uit dit verhaal: hij besloot voortaan alleen maar te kijken naar dit beeld. Met dit besluit bezegelde hij zijn eigen ondergang: hij bleef zichzelf voor eeuwig onbereikbaar.
Wil een nabootsing als werkelijkheid werken,
dan moeten we haar op haar woord geloven en haar niet testen op haar
trouw. Nabootsing kan dit offer alleen verlangen indien wat ze laat zien
niet zomaar teken is, zoals wat in de achteruitkijkspiegel te zien is,
maar lustvol, zoals wat Narcissus in zijn spiegel aanschouwde. De
spiegel die op zijn beurt de zich in zichzelf weerspiegelende wereld der
lust weerspiegelt, heet kunst. En om ons het tragische lot van Narcissus
te besparen, breekt kunst graag de illusie door ons de touwtjes van de
marionetten te laten zien. Door deze beide bewerkingen gaat de verschijning, die de nabootsing ons levert, op een tweede manier verschillen van de verschijning in de werkelijkheid: ditmaal niet doordat de betekenis van haar tekens niet kan gerealiseerd worden, maar ook nog doordat ze spaarzamer, maar adequater omspringt met de tekens.
Van meet af aan dit onderscheid niet te
hebben gemaakt, werd de mimesistheorie uiteindelijk fataal. Laat het
hier dan eindelijk en duidelijk gezegd zijn: het is niet door deze
laatste afwijking - dat ze spaarzamer maar efficiënter met tekens
omspringt - dat een nabootsing nabootsing wordt, maar alleen door de
eerste, die haar mogelijk maakt - dat de betekenis van haar tekens niet
gerealiseerd kan worden. Een silhouet van een kruik is nabootsing, omdat
we bij de aanraking van het silhouet niet de beloofde ronding voelen,
niet omdat van de kruik alleen het silhouet werd weergegeven. De
schoonheid van Zeuxis is een nabootsing, omdat wie ze zou willen
aanraken alleen op het onbegrip van een beschilderde muur zouden
stuiten, niet omdat ze uit de onderdelen van andere vrouwen is
samengesteld. En de sfinx is een nabootsing, omdat ze niet kan opstaan
en verdwijnen in de nacht van de woestijn, niet omdat ze het aanschijn
kreeg uit de paring van een vrouw en een leeuw. De afwijking door
spaarzamer en efficiënter met tekens om te springen is slechts een
bijzonder geval van wat bij elke menselijke productie wordt
gerealiseerd: 'humanisering' van de natuur, om het met Marx te zeggen. Dat heeft veel te maken met de rol die het oog speelt in onze omgang met de niet-verbale wereld, die daardoor tot visuele wereld wordt. Hoe zou deze visuele wereld wel nagebootst kunnen worden voor het oor? Omgekeerd was het oor zo trots op zijn rol als waarnemer van de 'geestelijke' wereld van de verbale taal, dat het maar al te graag minachtend zijn neus ophaalde voor alles wat - zoals mimesis - naar zinnen rook. Geen wonder dat velen - ook componisten zoals Stravinsky - ontkennen dat muziek een nabootsing zou zijn (voorbeeldig bij Hanslick, 1854; zie ook Souriau, 1969)
Na onze tocht door het rijk der zinnen zien we
meteen welke sluier hier wordt opgetrokken. We herinneren ons dat het
zichtbare slechts één van de verschijningen is van 'het ding'. Narcissus
is niet alleen zichtbaar, maar ook hoorbaar. Van zodra we ons dat
realiseren, valt het ons ook te binnen dat Narcissus niet alleen in een
wateroppervlak weerkaatst werd, maar ook in Echo, de nimf die op hem
verliefd was, zozeer, dat ze hem al zijn klachten terugstuurde. En wie
aan Narcissus zoals Echo zijn stembanden leent, houdt hem een auditieve
spiegel voor, net zoals het wateroppervlak een visuele. Deze analogie
kan doorgetrokken worden tot ze zich als identiteit ontpopt: net zoals
Narcissus besloot zijn beeld niet aan te raken, zo moet hij er ook aan
verzaken om Echo te zien. Narcissus had daar niet veel moeite mee, maar
wie dat niet kan, verliest zoals Orfeus zijn Euridike. De muziek betaalde deze voorkeursbehandeling met een verlies van haar identiteit. Ze kende haar hoogste bloei als toonbeeld van antimimetisch fatsoen, als 'absolute' - niet-afbeeldende - kunst, in het aanschijn waarvan de andere kunsten zich schaamden. Muziek werd hét model, waaraan poëzie en de schilderkunst zich gingen optrekken om 'zuivere kunst' te worden, bevrijd van de opgave de natuur te weerspiegelen. Vooral de schilderkunst was in haar ijver niet te overtreffen, omdat ze in haar opvrijen van de muziek in de fotografie haar gehate dubbelganger kon afstoten (zie bv. Kandinsky 1910). Ofschoon dit antimimetisch streven heel wat ravages heeft aangericht, heeft het ondanks zichzelf ook gezorgd voor een verfijning van de mimetische technieken in deze beide kunsttakken: er bestaat zoiets als de terugkeer van het verdrongene. Maar dit is een kluif voor de psychoanalyse van de kunst, en wij zijn nog lang niet klaar met onze prolegomena daartoe.
Merken we op dat deze eenzijdigheid van het
taboe ontsnapte aan de aandacht van psychoanalytici als Freud (1938) en
Goux (1978), die zich over het mimetisch taboe hebben gebogen. Dat is
een getuige te meer van de sterkte van de verdringing die weegt op het
oor. Tekens zijn niet hun betekenis, terwijl een nabootsing ons - mits Narcissus niet de hand uitstrekt of niet naar Echo kijkt - de dingen zelf voor ogen tovert. Woorden zijn tekens par excellence en in hun perfectie als teken het absolute tegendeel van nabootsingen. Hoe is dan literatuur denkbaar?
Theater stelt geen grote problemen: het is
een combinatie van visuele nabootsing (de mimiek, gebaren en houdingen
van de acteurs) en auditieve nabootsing (hun dialogen). De lichamen en
de woorden van de acteurs zijn volkomen gelijk aan de visuele en
auditieve verschijningen van de personages die ze voorstellen. Vermits
ze door acteurs gesproken worden en niet door de personages zelf, zijn
het nabootsingen: spiegel en Echo van Narcissus gecombineerd. Facultatief kan de taal zelf, als klinkende (of indien geschreven: als visuele) materie, nabootsend wordt gebruikt (bv. onomatopee, lettrisme). Taal kan zodanig gehanteerd worden dat ze van allerlei nieuwe 'paraverbale' tekens wordt voorzien (klankparallelismen, rijmen en overige retorische parafernalia), maar dat is niet specifiek voor kunst, zoals terecht opgemerkt door Jakobson (1960), die deze functie van de taal nochtans misleidend - en bij gebrek aan effectief criterium - de 'poëtische' functie van de taal noemde. Meesterschap over de taal maakt een tekst leesbaar, boeiend en overtuigend, maar niemand zal het in zich hoofd halen om een op die manier geschreven wetenschappelijke verhandeling tot kunstwerk te promoveren.
Dat ook literatuur in de regel zelden door
het mimetisch taboe werd getroffen, dankt ze aan het fantasma dat
gedachten beelden zijn, waardoor ze nauwelijks van het antimimetisch
denken te onderscheiden valt en daaraan haar respectabiliteit kon
ontlenen. De prijs die zij daarvoor betaalde is die van een
hybridisering met wetenschap en filosofie, die ook in andere kunsten
voorkomt, maar bij uitstek haar treft. Aan datzelfde fantasma hebben we
ook het onbegrip voor de ware natuur van denken én van literatuur te
danken We beschreven al hoe men de kloof tussen teken en betekenis trachtte te dichten door de uitbouw van wat 'natuurlijke tekens', 'gemotiveerde tekens', 'iconen', 'presentational symbols' enz. werd genoemd. Vanaf de 18de eeuw gebruikte men de tegenstelling tussen deze tekens en de 'pure' tekens om de kunsten te rangschikken in een continuhm met verbale tekens aan de ene kant, visuele tekens aan de andere kant, en 'muzikale tekens' - hoe kon het anders? - ergens tussenin. De tegenstelling tussen teken en nabootsing werd verkort tot variatie binnen de wereld van het teken. Hegel (1842) voltooide dit bouwwerk op indrukwekkende wijze door de kunst te situeren in een tot dialectische opgang omgebouwd continuüm, waarvan de filosofie (!) de bekroning was. Geen wonder dat dezelfde Hegel - uitgerekend op het ogenblik dat Beethoven een nieuw tijdperk in de muziek inluidde - het einde van het tijdperk van de kunst meende te kunnen bezegelen. Met één klap werd de mimesistheorie van de kaart geveegd, en van deze mokerslag heeft ze zich nooit hersteld. In de 20ste eeuw bloeit Hegels fantasma na - niet danig gehinderd door een vaak verbleekte kunst - in de interpretatie van mimesis in termen van semiosis onder invloed van de al vermelde Morris en Langer, maar in het bijzonder bij figuren als Barthes (1964), Meyer Shapiro (1969), Goodman (1969), Moles (1981), Eco (1977), om maar de belangrijkste te noemen. Het denken werd volledig verblind door de macht van het mimetisch taboe. Deze semiotisering - letterlijk: 'vertekening' - van mimesis is intellectueel zo'n monster, dat men zich afvraagt waarom men het niet van bij de geboorte met afgrijzen in de afgrond heeft gestort. Hoezeer tekens ook gemotiveerd mogen zijn, nooit houden ze op teken te zijn: met hun onooglijke verschijning de plaats van een andere te usurperen. Hoezeer het woord 'mama' ook op zuigen moge 'lijken', geen kind zal het ooit in de mond nemen, laat staan er de voorkeur aan geven boven de tactiele nabootsing die de duim of het fopspeen zijn. Deze theorie is de zoveelste poging om de kloof tussen teken en betekenis - hier als de kloof tussen mimesis en semiosis, afstammeling van die tussen lust en bevrediging - te dichten door de constructie van een fantasma. En dit zal wel de charme zijn die verantwoordelijk is voor de onstuitbare doorbraak van deze theorie tot op de dag van vandaag. Alleen zeldzame stemmen beklemtoonden het principiële verschil tussen teken en nabootsing. Vermelden we Sartre (1940), maar vooral Hegel (1830) die het - in zekere zin jammer genoeg, omdat hij daarmee ook mimesis 'aufhob' - zeer duidelijk stelde: 'Die Anschauung... erhält, insofern sie zu einem Zeichen gebraucht wird, die wesentliche Bestimmung, nur als aufgehobene zu sein' (§ 459). (De aanschouwing verkrijgt, in zoverre ze tot het niveau van een teken wordt opgeheven, de wezenlijke bepaling, slechts als opgeheven te bestaan).
Hoe dan ook, met deze theorie in de hand werd
niet alleen mimesis van de kaart geveegd: het raadsel van de muziek leek
opeens geen raadsel meer. Muziek was immers geen nabootsing, maar een
taal, en wel een zeer bijzondere: een die uitspreekt wat de verbale niet
gezegd kan krijgen. Het ogenblik is dus gekomen om ons na onze
kennismaking met het onzichtbare te buigen over het onzegbare.
De wereld verschijnt ons dus als een
opeenstapeling van niet-talige en talige tekens waarin we ons grillig
traject proberen af te leggen. Alleen de talige wereld spreekt daarbij
in de werkelijke zin van het woord tot ons. In metaforische zin kunnen
we van de gehele wereld beweren dat hij tot ons 'spreekt', zolang we
maar in de gaten houden dat de tekens van de niet-talige wereld niet
door een 'natuur', een 'god' of een 'geest' tot ons gesproken worden. En
in deze overdrachtelijke zin zullen we het hieronder hebben over het
'spreken' van de wereld. Maar dit spreken van de ten tonele gevoerde werkelijkheid is niet het spreken van de kunstenaar over de werkelijkheid. Wie iets aanwijst spreekt met zijn vinger, maar wat hij aanwijst spreekt voor zichzelf. Het 'spreken' van de wereld tot ons is ingebed in ons spreken over de wereld. Op dezelfde wijze spreekt de kunstenaar enkel doordat hij nabootsend toont. Dit tonen is, net zoals het aanwijzen met de vinger, wel degelijk een taal, maar een niet-verbale, niet-gelede, a fortiori niet-syntactische en - laat het gezegd zijn - zeer rudimentaire taal, des te meer naarmate de kunstenaar de wereld die hij met dit spreken aan het woord laat welsprekender liet zijn. Dat geldt ook in zoverre de kunstenaar - door spaarzamer maar adequater zijn tekens te gebruiken of door überhaupt onbestaande wezens te scheppen - ons originelen voor ogen tovert, die afwijken van de bestaande werkelijkheid. Daardoor lijken ze een kritiek op het bestaande in te houden (Adorno, 1970; Marcuse, 1977). Maar laten we ons niet vergissen: het gaat hier om een bijzondere variant van tonen, die pas tot uitspraak wordt wanneer wij ze in woorden over het kunstwerk vertalen.
Dat het spreken van de afgebeelde
werkelijkheid vaak aan de kunstenaar wordt toegeschreven, komt omdat
zijn aanwijzen een aanschijn geven aan de werkelijkheid is. En de
verwarring wordt in de hand gewerkt doordat dit tonen vaak via verbale
taal tot stand komt (romans, poëzie) en - last but not least - doordat
nabootsen als zodanig door velen in semiotische termen als het spreken
van een taal begrepen werd. Wel is waar dat er 'regels' zijn waaraan men moet gehoorzamen, wil men de nagebootste wereld duidelijker laten 'spreken' dan de echte. Maar niet elke regel is een syntactische regel. Leest men 'syntaxis' letterlijk, als het bijeenvoegen van elementen, dan is het synoniem voor 'componeren', eveneens in letterlijke zin. Maar ook hier geldt dat niet elk bijeenvoegen 'syntaxis' is. De juiste ingrediënten in de juiste verhouding tot een lekker gerecht 'componeren' is geen syntaxis. Syntaxis in de eigenlijke zin is alleen het samenvoegen van elkaar bepalende verbale deeltekens.
Overigens moet het begrip 'compositie' inzake
nabootsingen terug in ere hersteld worden. Compositie heeft in deze
eigenlijke - en hier breder dan gemeenlijk gedachte - zin niets van doen
met logica, noch minder met syntaxis: het is een eminent mimetische
categorie. En het getuigt van de - ditmaal theoretische - ravage die is
aangericht door de semiotische of linguïstische interpretaties van kunst
dat de leer daarvan zich nauwelijks in de kinderschoenen bevindt.
Ofschoon deze 'lingualisering' van de kunst
vanaf de 18de eeuw op theoretisch niveau algemeen is, is het geen toeval
dat de 'metafoor' van de taal en de syntaxis vooral het denken over
muziek heeft aangetast. Sedert deze zich - eveneens in de 18de eeuw! -
van de gezongen tekst poogde te emanciperen als 'absolute' instrumentele
muziek, moest ze 'bewijzen' dat ze niet moest onderdoen voor muziek met
tekst erbij, en daar slaagden figuren als Mozart, Haydn en Beethoven
wonderwel in. Vele auteurs gingen dan ook de metafoor van muziek als
'redevoering' hanteren. Ze hebben het over muzikale 'grammatica' en dito
'retoriek', over 'muzikale gedachten', zelfs in detail over muzikale
'subjecten' en 'predicaten' en erger nog: over 'muzikale bewijzen' (zie
Dahlhaus 1978 en Bonds 1991). Het gehele jargon van de muziek is van
deze 'metafoor' doordrongen en men poogt hem zelf met nadruk nieuw leven
in te blazen (Bonds, 1991). En dat zou niet schaden, zolang men maar
weet dat men met een metafoor te maken heeft. Maar dat is niet het
geval: al deze taalgeleerden mogen hun wijsheid in het oor van hun kopje
fluisteren, maar niet in het mijne. En omdat de verbale taal per definitie de wereld niet is waarover ze spreekt, vergrendelt ze - zolang we ze spreken - alle poorten tot bevrediging of lust. De poorten kunnen alleen geopend worden door ons onder te dompelen in de werkelijkheid of door ons over te geven aan mimesis. De uitspraak dat kunst het onzegbare uitdrukt, komt dus neer op de stelling dat semiosis geen mimesis is, met de bijbehorende suggestie dat alleen mimesis (of wellicht de werkelijkheid) bevredigend is.
Deze vertaling mist de geheime charmes van
het origineel, dat als meesterlijke misvoltreffer het fantasma van de
eenheid van teken en betekenis verwoordt. En daarmee te kennen geeft
hoezeer wat niet gezegd wil worden - het 'onzegbare' als lust - toch
gezegd wordt. En dat uitgerekend in de taal waarvan beweerd wordt dat ze
het niet kan zeggen. In zijn boek over de beeldenstormer Mozes heeft Freud (1938) het over de almacht van de gedachte, die hij afleidt uit de trots van de mens over de ontwikkeling van de taal, die hem uit de ban van de zintuigen bevrijdde (p. 221). De almacht van de gedachte is het fantasma dat wat gedacht wordt ook bestaat, een van de versies dus van het algemenere fantasma dat het teken de betekenis is.
De almacht van de gedachte wordt door Freud
gefundeerd in de almacht van het spreken. De 'verzinnelijking' van
gedachte naar gesproken woord verder doortrekkend, kunnen we ons de
vraag stellen naar de rol van wat aan de klank van het woord méér dan
woord is. Luisteren we immers door de taal heen naar de klanken waarin ze gewikkeld is, dan vallen we ten prooi aan een vreemde magie. Wie deze klanken met een - voor het woord doof - oor beluistert hoort 'muziek' in het spreken. Hij herkent de aanhef en de vele soorten cadensen die het verloop van elke melodie bepalen en vat meteen de oorsprong van de akkoorden en van hun onverbiddelijke metamorfose in elkaar. De melodie en de harmonie van het spreken vormen in eerste instantie een systeem van niet-verbale auditieve tekens, die het verloop (hoofd- en tussengedachte) en de syntactische structuur (bepaling en bepaalde) van de zin doorzichtig maken, de dialoog regelen (begin en einde, vraag of antwoord) enz. Maar voor alles gaat er een ongekende magie van uit. En dat geldt bij uitstek voor het metrum van het spreken, waardoor de lettergrepen gesproken worden als ritme in een maat. De functie van deze vreemde magie zal ons meteen duidelijk worden, als we ons herinneren dat de wereld van het woord een wereld van het oor is, het zintuig dat geneutraliseerd werd door het oog waarmee we gekluisterd zijn aan de niet-verbale wereld. De schimmige skeletten die woorden zijn, zouden ons wel nooit uit onze verslaving aan het oog kunnen verlossen, ware het niet dat de magie van melodie en metrum het oor bezwoer. Melodie en ritme zijn niet alleen auditieve tekens die de structuur van het woordensnoer doorlichten, maar ook hypnotische prikkels, waarmee de spreker in zijn toehoorder de ondergang van de visuele wereld en de opgang van de verbale afdwingt. Freuds theorie over de hypnose - die hij fundeert in oog en taal - zou moeten herzien worden in het licht van deze opheffing van de verdringing op deze hoorbare aura rond het spreken. Wij zijn niet de eersten om dat verband van muziek met het niet-verbale onderdeel van de taal vast te stellen: deze stelling wordt al verdedigd door Abbé Dubos (1719) en verschijnt daarna bij Hutcheson (1725), Batteux (1746), Rousseau (1765), Herder (1772), A. Smith (1795), maar ook bij Wagner en Nietzsche (1871, a). Onderworpen als ze waren aan het fantasma dat de verschijning het ding is - en dat geldt hier ook voor Nietzsche! - dachten deze auteurs dat muziek dit aspect van de taal ...nabootste, terwijl muziek deze tekens alleen van de verbale tekens isoleert en adequater maakt. Nabootsing wordt muziek pas doordat ze van de nagebootste wezens alleen dit - overigens echte - woordloos spreken levert.
Aan Rousseau (1765) en Schopenhauer (1818)
danken we de ondertussen onuitroeibaar geworden stelling dat de
auditieve aura rond het woord de taal der emoties zou zijn die de taal
der rede omhult. Emoties drukken zich uit vooral in visuele expressies
(mimiek, gebaren, houdingen), in auditieve expressies zoals lachen en
wenen, maar slechts zeer onrechtstreeks in de wijze van spreken: door
expressieve wijzigingen van het gehele bovenbeschreven systeem van
tekens. De auditieve aura rond de woorden drukt op zichzelf dus geen
emoties uit. Onnodig erop te wijzen dat de taal dat niet nodig heeft: ze
kan zelf immers emoties uitdrukken ('ik ben droevig'). Ongetwijfeld
heeft muziek iets te maken met emoties, maar dan niet omdat de auditieve
aura rond de woorden er de expressie van zou zijn. Vooraleer we
klaarheid in dit probleem kunnen scheppen moeten we een volgende
verdringing opheffen.
Net zoals de hypnotische prikkels van het
spreken verdicht zijn met auditieve tekens die de structuur van de
woordketen doorlichten, zijn deze kinetische prikkels verdicht met
auditieve tekens, die de aard van de beweging en het verloop ervan
betekenen. Vele van deze tekens zijn gemotiveerd door analogie: het
'dalen' of 'stijgen' van de klanken met het dito verloop van gebaren;
'lichte' of 'zware' klanken met dito bewegende wezens enz. enz. Het
verloop van de (veelal expressieve) bewegingen wordt echter bij uitstek
betekend door de tekens die ook gebruikt worden om de structuur van de
zin te articuleren: melodie en harmonie. Pas nu wordt duidelijk met welke dimensie van het auditieve de 'woordloze' muziek te maken heeft: niet met het klateren van beekjes, met het roepen van de koekoek of met het wenen van de mens, maar met de auditieve hypnotisch-kinetische prikkels die, net als het spreken, behoren tot de unieke auditieve verschijning van de mens. We begrijpen in één adem ook de machtige invloed die muziek op haar toehoorders uitoefent.
Maar begrijpen we niet iets anders dan wat we
zochten? We begrijpen niet alleen via welke auditieve verschijning
muziek nabootst, we vonden ook hoe ze een werkelijke - niet-gemimeerde -
wereld schept (en zelf werkelijke uiting van een werkelijke - niet-
gemimeerde - persoon is). En hiermee bevinden we ons - wat dit laatste
betreft - in de positie van Bhcher (1909), die als eerste - overigens
zonder veel navolgers ditmaal - op het verband tussen muziek en
arbeidsritme heeft gewezen. Zou muziek dan toch geen mimesis zijn? Elke soldaat beveelt met het beuken van zijn laars het dreunen van alle andere laarzen en het dreunen van al deze andere laarzen beveelt op zijn beurt het bevel van elke afzonderlijke laars. En dit collectieve gedreun doet alle afzonderlijke soldaten opgaan in een bovenindividueel organisme. De visuele verschijning van dit organisme is de geco`rdineerde heerschaar, de auditieve haar gedreun. Wat muziek van een gewone auditieve nabootsing onderscheidt, is dat ze uit dergelijke kinetische prikkels bestaat. Daarom is ze in haar primitiefste vormen ook steeds arbeids- of dansmuziek. In haar complexere vormen zet ze tot alle mogelijke uitvoerbare of onuitvoerbare bewegingen aan. En ze dwingt de luisteraar al deze bewegingen minstens in de voorstelling uit te voeren, wat vaak tot de soms tragikomische pantomime van muzikanten leidt. Zo schept elke muziek een luisteraar naar haar beeld en gelijkenis, net zoals het gedreun het kappen van elke soldatenlaars beveelt.
Maar net zoals elke soldaat ook het gedreun
beveelt, zo ervaren wij muziek ook als onze eigen productie. Heeft niet
elke luisteraar de onvervreemdbare neiging bij zijn door de muziek
bevolen bewegingen ook de muziek te willen scheppen die hém beveelt? Dat
is geen probleem zolang we met een meezinger te maken hebben. Hoe
ingewikkelder de muziek, hoe onmogelijker het wordt om mee te doen, en
dan rest ons alleen maar de voet of de hand, of een tekortschietende
stem, zodat we uiteindelijk genoegen moeten nemen met de voorstelling
dat wij de door de muzikanten gespeelde muziek uitvoeren. Muziek is dus de nabootsing van een wezen (of meerdere wezens) dat auditieve kinetische prikkels uitzendt, daardoor de luisteraar(s) tot zijn evenbeeld maakt, waarvan de auditieve verschijning dezelfde muziek is. Daardoor is ze als het ware dubbele mimesis. Dat ze, in tegenstelling tot andere vormen van mimesis, ook nog de luisteraar schept naar haar evenbeeld, zullen we bezegelen met een aangepaste term: muziek is sympathische mimesis.
Via sympathische mimesis wordt muziek tot
auditieve verschijningswijze van een gemeenschap. Het model van muziek
is het gebeuren op het Zeppelinfeld en vergelijkbare plaatsen des
onheils. Daar is de soldaat die kinetische prikkels uitzendt reNel
aanwezig, visueel en auditief, duizendvoudig, en deze soldaat wordt even
reëel vermenigvuldigd in duizenden anderen. Nabootsing wordt dit
gebeuren pas naarmate het marsjeren door ingewikkelder gedrag wordt
vervangen. De overgang tussen werkelijkheid en nabootsing is te
bestuderen in de meeste dansmuziek, waarvan de kinetische prikkels
slechts als afschaduwing door menselijke lichamen uitgevoerd kunnen
worden. Waar muziek talloze bewegingen tegelijkertijd uitvoert, alsof ze
geproduceerd werd door een wezen met talloze expressieve organen, op
tempo's waar ledematen te licht of te zwaar voor zijn, en in banen die
zich aan de zwaartekracht onttrekken, kan ze alleen meer als kinetische
prikkel door gespecialiseerde uitvoerders geproduceerd worden. Daarbij
ontstijgt ze als bevrijde muziek de talloze reële lichamen waarin ze
gevangen zat, om het aanschijn te geven aan de gemeenschap als mystiek
lichaam.
Dit begrip van de muziek legt bloot hoezeer
de klassieke muziektheorie zich vergiste. Het eeuwige paradigma van het
nietimimetische in de muziek - de fuga - ontsluiert zich hier als de
mimesis bij uitstek: die van de lust. Dit is het geheim van de zgn.
'mathematica' in de muziek (en overigens ook van de symmetrie of
ingewikkelder composities van figuren in Renaissanceschilderkunst). Vele
auteurs vergisten zich fundamenteel in de betekenis van deze wiskunde of
geometrie in de muziek en ook in de andere kunsten (zie Lukacs). Tot in
haar intiemste (abstracte) vezels is muziek doordrongen van mimesis, van
inhoud. Onze benadering maakt al meteen schoonschip met het misverstand dat muziek zich zou moeten beperken tot de nabootsing van wezens met een gewone auditieve verschijning. Muziek kan dat, en doet dat ook, zoals wanneer ze de koekoek of het menselijke wenen nabootst, maar ze is dan slechts schaduw van zichzelf. Zichzelf wordt muziek pas wanneer ze, desnoods antropomorfiserend, wezens nabootst die een bijzondere auditieve verschijning hebben: dat ze auditieve kinetische prikkels uitzenden. En de reikwijdte van deze prikkels, die ook elke onbeweeglijkheid kunnen bevelen, is quasi onbegrensd. In Monteverdis madrigaal 'Hor Che'l ciel' of Mahlers 'Mitternachtslied' zijn roerloze en geluidloze werelden hoorbaar en in Wagners Liebestod zelfs het orgasme. In deze veelzijdigheid benadert muziek de universaliteit van de poëzie. Muziek bevat zoals vele andere kunsten taal. Gezongen muziek bevat verbale taal die voorstellingen opwekt zoals in de poëzie en dus in combinatie met muziek leidt tot een gecombineerde nabootsing zoals het stripverhaal. Puur instrumentele muziek bevat niet alleen de niet-verbale tekens die de verbale taal omhullen. Wat alle auteurs ontging is dat muziek - doordat ze kinetische prikkel is voor bewegingen - visuele expressies (zoals mimiek, maar vooral gebaren, houdingen en bewegingen) kan bevelen. Vooral daardoor - en slechts in de tweede plaats door nabootsing van gewone auditieve expressies - is ze 'taal der emoties'. De taal waardoor muziek spreekt, is dus een zeer complexe verdichting van allerlei bestaande talen. Herhalen we voor alle duidelijkheid dat deze taal - net zoals die van de acteur - pas tot nabootsing wordt, doordat ze de auditieve verschijning is van het nagebootste. Waar dat niet het geval is - bij de talrijke niet-verbale klanktekens (zoals de notennaam voor 'Bach' enz.) die door componisten aangebracht worden - bevinden we ons buiten het rijk van de mimesis
Merken we op dat de talloze auteurs, die
menen dat muziek emoties of andere 'vitale' bewegingen kan nabootsen
door analoge bewegingen te produceren, nooit doorhadden dat muziek
Überhaupt niet beweegt. Muziek bestaat uit onbeweeglijke geluiden, die
met beweging alleen maar iets te maken krijgen doordat ze er prikkel en
teken voor zijn.
Ook de theorieën die beweren dat muziek een
of andere vorm van 'iconische' taal is bevatten een moment van waarheid:
dat muziek massa's gemotiveerde tekens bevat, maar tekens op zich zijn
het tegendeel van nabootsing. Pas doordat deze tekens gepaard gaan met
kinetische prikkels voor beweging constitueren ze een nabootsing. We moeten tot slot nog even stilstaan bij de zin van deze - sympathische - mimesis, die zich in zichzelf en in de toeschouwers vermenigvuldigt Muziek vermenigvuldigt zich in alle luisteraars, zozeer, dat allen uiteindelijk één worden. En deze ervaring fundeert de onvervreemdbare en troostende geborgenheid die elke muziek verschaft, ook als ze in volledige isolatie beluisterd wordt. Zeker: dat is een ervaring van liefde, en de gelijkenis met de seksuele is opvallend. DBBr zagen we hoe een symmetrie geleidelijk opging in identiteit. De seksuele vereniging kan alleen een paar te beurt vallen. Ook muziek realiseert volledige identiteit tussen het wezen dat in muziek verschijnt en alle luisteraars, maar bindt daarbij een onbeperkt aantal individuen in het mystiek lichaam van de gemeenschap. Muziek is voor de gemeenschap wat het orgasme is voor het paar (zie hierover ook het hoofdstuk over de orgie in ons boek 'De extasen van Eros').
En met deze stelling hebben we de belofte
ingelost om de tegenhanger van seksuele lust te behandelen. Wij geloven
niet - zoals Freud - dat beide uit elkaar afgeleid kunnen worden op
basis van 'sublimatie'. Maar het is wellicht wel de heimelijke
verwantschap met het orgasme die verantwoordelijk is voor de hardnekkig
pogingen om muziek uit het rijk der mimesis te bannen Jn voor de talloze
mislukkingen bij de schaarse pogingen om ze wel als mimesis te
begrijpen. vadermoord. Freud meende dat in de verhouding van de gecastreerde zoons tot de oervader de oerstructuur van de menselijke groep aan te treffen was. De opvolgers van de oervader zijn het 'object' waarvan in volgende formule van de libidineuze structuur van de groep sprake is: 'Een ... primaire groep is een aantal individuen, dat één en hetzelfde object op de plaats van zijn ik-ideaal heeft gesteld en zich bijgevolg in hun ik met elkaar geïdentificeerd hebben' (p.128).
Onze analyse komt tot een geheel andere
bevinding. Er is geen identificatie met een ik-ideaal met bijbehorende
deseksualisering van de liefdesbanden, maar lustvolle fusie van allen in
het mystiek lichaam van de gemeenschap. Oervader of sirenen? Hier
stuiten we een probleem dat alleen kan opgelost worden indien we ingaan
op een ander aspect, dat we in dit artikel stilzwijgend opzij schoven:
niet alleen de enige waargenomen wereld bleef tot op dit ogenblik
onbeschreven, maar ook het enige waargenomen subject. In het licht
daarvan zullen begrippen als 'identificatie' versus 'projectie' of
'narcisme' versus 'objectliefde' herdacht moeten worden. En dat paar
mouwen breien we een andere keer. Overigens heeft de groep, net als het
paar, een dubbele verschijning: enerzijds als coöpererend organisme,
anderzijds als organisme dat na de coöperatie zijn bestaan als lust
verteert. Dat kunst niet alleen spiegelbeelden schept, maar ook de eenheid van hen die in de spiegels kijken, is een tweede sleutel tot het volledig begrip van ervan. Vermits er vele gemeenschappen zijn - veeleer dan de éne mensheidomvattende van Schiller-Beethoven in de 9e symfonie - moeten er ook vele vormen van muzikale lust zijn die elkaar uitsluiten. Terwijl het dreunen van de laarzen de enen deed opgaan in het mystiek lichaam der Germanen, huiverden de anderen bij de gedachte dat ze erdoor vertrappeld zouden worden. En dat is de tweede reden waarom we dit luguber voorbeeld kozen, om te laten voelen hoezeer de lust van de enen de onlust van de anderen is, net zozeer als de waarheid van de enen de dwaling van de anderen: dit is het raakpunt tussen smaak en geloof. Daarom is er ook muziekgeschiedenis: elke nieuwe splitsing van gemeenschappen levert een nieuwe luststijl op of een nieuwe waarheid. (We behandelden dit probleem al inzake de ontwikkeling van wetenschap in ons artikel 'Psychoanalyse en schisma', waarnaar we voor dit aspect verwijzen).
De sfinx onder de kunsten ontpopte zich op
onze sofa tot ongekroonde koningin van mimesis. Daartoe moesten heel wat
fantasma's doorprikt en heel wat verdringingen - inzonderheid die op
mimesis en sympathische mimesis - gelicht. En daarmee zijn onze
prolegomena gesproken. Nu pas kan gedacht worden aan een eigenlijke
psychoanalyse van de muziek en van de overige kunsten. Reacties: beyst.stefan@gmail.com zie ook: LIJST VAN DE GECITEERDE WERKEN ADORNO TH. W.: 'Aesthetische Theorie', Suhrkamp, 1970. BARTHES R.: 'RhJtorique de L'Image', Communications 4, 1964 (Image, Music, Text, Fontana Paperbacks 1977). BATTEUX: 'Les Beaux-Arts réduits à un même principe' (1746) (Ed. J. R Mantion, Aux amateurs de Livers, Paris, 1989). BONDS M.E.: Wordless Rhetoric, Musical Form and the Metaphor of the Oration, Harvard University Press, 1991. BÜCHER K.: 'Arbeit und Rhythmus', 1909. BÜCHLER: 'Philosophical Writings of Peirce', Ed. J.Buchler, Dover Publications, Inc. New York, 1955. BÜHLER K.: Sprachtheorie, 1934 (Uni-Taschenbhcher, Fischer Verlag Stuttgart 1982). DAHLHAUS C.: Die Idee der absoluten Music, 1978 Bärenreiter-Verlag Kassel (Uit: The University of Chicago-Press, 1989). DARWIN Ch.: 'The descent of Man...', 1874. DUBOS: 'Réflexions critiques sur la poésie et la peinture', 1719. DUFRENNE M.: 'L'oeil et L'oreille, J.M.Place, 1991. ECO U.: Segno, 1977. FAUST W.M.: 'Bilder werden Worte' C. Hanser, Mhnchen, 1977. FECHNER: Vorschule der Aesthetik, 1876. FREUD S.: Totem und Taboe , 1912, G.W. XIII. FREUD S.: 'Der Mann Moses und die Monotheistische Religion, 1938, G.W. XVI. FREUD S.: Jenseits des Lustprinzipes, 1920, G.W. XIII. GOODMAN N.: 'Languages of Art, An Approach to a theory of symbols', London, Oxford University Press, 1969. GOUX J.J.: 'Les iconoclastes', Editions du Seuil, 1978. GUYAU J.M.: 'Les problèmes de L'esthétique contemporaine', 1884. HANSLICK: 'Vom Musikalisch Schönen', Leipzig 1854. (Geciteerd uit Darmstadt, 1965). HARRIS J.: 'Three Treatises' 1744. HEGEL G.F.W: 'Enzyklopädie der Philospohischen Wissenschaften' (1830) (Geciteerd uit F. Meiner Verlag, 1969). HEGEL G.F.W: 'Aesthetik' (2e Uitgave), 1842. HERDER: 'Abhandlung über den Ursprung der Sprache', 1772. HUTCHESON: Inquiry Concerning Beauty, Order, Harmony, (1725) JAKOBSON R: 'Linguistik und Poetik', 1960. KANDINSKY W.: gber das Geistige in der Kunst, Mhnchen, 1910. KANT I.: Kritik der Urteilskraft (1790). LANGER S.: 'Philosophy in a new Key', Harvard, 1942. LESSING: 'Laokoon' (1766). LIPPS: 'Aesthetik. Psychologie des Schönen und der Kunst', 1903. LUKACS G.: 'Die eigenart des ästhetischen', Luchterhand, 1963. MARCUSE H.: 'Die Permanenz der Kunst', Carl Hanser Verlag Mhnchen-Wien, 1977. MERLEAU-PONTY: 'l'Oeil et l'esprit', Gallimard, 1964. MERLEAU-PONTY: Phénoménologie de la Perception, Gallimard, 1945. MEYER SCHAPIRO: 'On some problems in the semiotic of Visual Art, Field and Vehicle in Image-Signs', Semiotica, I, 3, 1969, pp.223-242 (Gallimard Paris, 1982). MOLES A.A: 'L'Image, communication fonctionelle', Paris 1981. MORRIS Ch. W.: 'Foundations of the Theory of Signs, 1938. NIETZSCHE F.: Über Musik und Wort, 1871 (a). NIETZSCHE F.: Die Geburt der Tragödie', 1871 (b). PEIRCE: 'Philosophical Writings of Peirce', Ed. J.Buchler, Dover Publications, Inc. New York 1955. ROUSSEAU J.J.: 'Essai sur l'origine des langues', 1765. SARTRE J.P.: 'L'Imaginaire', Gallimard, 1940 (Gallimard 1986). SCHELLING: 'Ueber das Verhältnis der bildenden Künste zu der Natur', 1807 (Felix Meiner Verlag, Hamburg, 1983). SCHOPENHAUER A.: Die Welt als Wille und Vorstellung, 1818. SOURIAU E.: 'La correspondance des Arts' 1969, Flammarion Paris. TODOROV T.: 'Théories du Symbole', Seuil, 1977. WITTGENSTEIN l.: Tractatus Logico-Philosophicus, 1921(Suhrkamp).
|
|||||||||||||||